In de zomer van 2014 komt het strafvorderlijk onderzoek in Nederland tegen Van Laarhoven in een stroomversnelling en wordt besloten tot een actiedag in Nederland in samenwerking met verschillende Europese landen waar wederrechtelijk verkregen vermogen zou liggen. Ook in Thailand. In Europa worden daarvoor de gangbare Europese rechtshulpbetrekkingen gebezigd bij het uitoefenen van de vereiste dwangmiddelen en de voordeelsontneming. Dat is echter jegens Thailand niet mogelijk. Bij herhaling heeft de Nederlandse regering verklaard daartoe niet in de reguliere en gangbare rechtshulpbetrekkingen te kunnen treden gelet op het gebrek aan rechtsstatelijkheid waaraan Thailand nu eenmaal – het is een feit van algemene bekendheid – laboreert. Daarom baart het verwondering en noodt het tot kritische reflectie als de Officier van Justitie die de zaak tegen Van Laarhoven leidt, melding ervan doet aan zijn bevoegde superieuren dat hij niettemin eind juni 2014 Thailand toch om rechtshulp vraagt. Maar, zo deelt de Officier mee, dat gaat dan “gewoon” om de in Nederland lopende strafzaak ter nadere waarheidsvinding in een complex van strafbare handelingen: bijzondere conservatoire maatregelen ten laste van de fysieke persoon van cliënt zijn niet nodig. Voor uitlevering is een regulier gespecificeerd uitleveringsverdrag noodzakelijk. De Nederlandse grondwet eist dat. Die grondwet bepaalt dat Nederlanders alleen worden uitgeleverd als teruglevering vaststaat, Want Van Laarhoven is Nederlander. Hij kan alleen op basis van een echt technisch uitleveringsverdrag gedwongen verwijderd worden. Als hoofdregel levert Nederland zijn eigen onderdanen niet uit aan landen buiten de EU. Zie de ingewikkelde regeling ingevolge artikel 2 van die Grondwet in verbinding met de Uitleveringswet die daarin nader voorziet via weigeringsgronden voor deze rechtshulp. Uitzonderingen zijn onder strenge voorwaarden mogelijk, maar alleen voor strafvervolging (niet voor strafuitvoering) en mits er een verdrag is en een garantie dat een eventuele celstraf in Nederland mag worden uitgezeten. Binnen de EU geldt de overlevering via een Europees aanhoudingsbevel. Geen van deze verwijderingsvarianten is hier toepasbaar. Want voor teruglevering ter vonnisexecutie is ook een verdrag noodzakelijk. Dat is een verdrag waarin de positieve erkenning van het buitenlandse vonnis of eindgewijsde volledig is geregeld. Positieve erkenning komt erop neer dat Nederland het eindgewijsde erkent als was het een nationale executoriale titel. En zo’n verdrag heeft Nederland met Thailand nooit willen sluiten, ook niet in multilateraal VN-verband. Dat is er ook niet, althans men kan betwijfelen of het er is. Nederland heeft ook steeds bezworen dat het met Thailand een dergelijk verdrag niet wenst te sluiten. Thailand is daarover ook meermalen aan de bel komen hangen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. De indruk wast dat het Openbaar Mininisterie naar wegen zoekt, linksom of rechtsom, om Van Laarhoven wiens handelingen internationale ruchtbaarheid hebben verworven hoe dan ook te lozen aan Thailand. Dat dat daartoe meewerkt, is niet verbazend. Want Van Laarhoven veroorzaakt binnen Thailand veel fiscale feiten die tot op dan toe niet tot heffingen leiden in dat land. Aan Thaise zijde is de frustratie groot. Het gaat om aanmerkelijke sommen inkomstenderving voor Thailand.

Dat hierboven vermelde wat schimmige onderzoek ziet op typische accessoire rechtshulphandelingen, en niet op de aanhouding, overdracht en/of uitlevering van cliënt Johan van Laarhoven. Het is wel een rechtshulpverzoek, aldus de Officier, maar zonder dat de fysieke persoonlijkheid van cliënt wordt aangetast in de zin van het habeas corpus-beginsel, zoals verwoord in artikel 15 van de Grondwet. Het is een Angelsaksisch principe. Overal waar een Nederlander of een rechtmatig ingezetene of daarmee gelijk te stellen persoon van zijn vrijheid beroofd wordt door tussenkomst van de Nederlandse overheid, kan het worden ingeroepen: hier gaat het om een norm die geactiveerd wordt door en via het personaliteitsprincipe als aanknopingspunt van de rechtsmacht. De waarborg geldt waar de persoon zich bevindt. Maar de vrijheidsontneming moet mede te wijten zijn aan de Nederlandse overheid. Mede. Ze geldt dus ook in de USA, maar daar zal de detentie niet vaak te wijten zijn aan de Nederlandse overheid. Van Laarhoven neemt de waarborg dus mede overal waar hij gaat. Ik wijs er even op dat bij de geschiedenis van de inlas van artikel 15 Grondwet omstandig gewag is gemaakt van de aanmerkelijke ruimtelijke werking van het habeas corpusbeginsel. De Nederlandse staat nam dus een aanmerkelijke ruimtelijke aansprakelijkheidskring voor onrechtmatigheden te dezen voor lief. De regering is daarop gewezen.
Maar ze meende – ten onrechte – dat het bijna niet zou voorkomen dat Nederlandse interventie mede ten grondslag zou liggen aan buitenlandse maatregelen van vrijheidsontneming of detentie. In 1983 beschouwde Nederland zich nog als vlekkeloos gidsland te dien opzichte. De voorliggende zaak-Van Laarhoven geeft de misplaatstheid van die euforie wel aan. Het aantal buitenlandse detentiegevallen, middellijk door Nederland veroorzaakt neemt in tegendeel hand over hand toe. Ook in het kader van de rechtshulpbetrekkingen mede ten behoeve van Nederlandse straftribunalen. Van Laarhoven had er goed aan gedaan destijds, bij vertrek naar Thailand, de vereiste machtigingen alvast af te geven voor het starten van de korte gedingen waarop artikel 15 Grondwet uitzicht geeft in verbinding met het hierna te noemen privilegium de ius non evocando. Het recht om steeds de basiscompetente burgerlijke rechter ex artikel 15 Grondwet rechtstreeks te adiëren. Dat persoonlijk privilege zullen Nederland en Thailand grotelijks gaan schenden, dat is, het wordt hieronder uiteengezet, de toeleg. Zijn levenspartner is dan nog “gewoon” getuige. De Thai geven aan dat ze aan dat rechtshulpverzoek uitvoering zullen geven. Zij kwalificeren dat verzoek niet, de Officier laat dat ook na.
Maar het geldt hier in wezen een overdracht van de strafvervolging aan Thailand, verdragsloos, dat erkent de Officier ook wel. Thailand moet zijn volledige jurisdictie maar aanwenden en eventueel nadere assistentie aanvragen bij Nederland. Zal Thailand het kunnen brengen tot een procedure op tegenspraak of zal het stokken in een verstekprocedure met mogelijkheid tot verzet, mocht cliënt toch fysiek aanwezig blijken in Thailand? En levert een verzetsgewijsde dan een acceptabele executoriale titel op, die andere staten óók zullen erkennen? Het blijft onzeker. Maar dat komt allemaal niet voldoende tegemoet aan wat de behandelend Officier van Justitie Lucas van Delft vindt dat Johan aan opzettelijke leedtoevoeging moet ondergaan. En dan wordt ineens het plan gesmeed en de brief van 14 juli 2014 geschreven. Die brief staat los van het rechtshulpverzoek, zo luidt de interpretatie van de Officier, en ze wordt ook door de Thai los daarvan geregistreerd en in behandeling genomen. De brief is feitelijk een aanklacht tegen een Nederlandse staatsburger met het verzoek om hem in Thailand, naar Thais recht te vervolgen. Dat levert uiteindelijk de Thaise strafzaak op waarin Johan van Laarhoven en zijn levenspartner worden vervolgd.
