Landen waarmee Nederland één of meer van dergelijke toepasselijke rechtshulpverdragen heeft gesloten:
Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bahama’s, België, Bulgarije, Canada, Chili, Costa Rica, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Israël, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macedonië, Malta, Marokko, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Panama, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Thailand, Trinidad en Tobago, Tsjechië, Turkije, Venezuela, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, IJsland, Zweden, Zwitserland. Nederland heeft meermalen strafrechtshulpbetrekkingen met het koninkrijk Thailand op verdragsbasis afgewezen. Thailand zou daartoe geen gepaste partner zijn omdat het rechtsstatelijk niet aan de maat is naar EVRM-eisen. Kan het zijn dat daarom het Nederlandse OM tracht te komen tot verkapt rechtshulpverkeer met deze staat via Memoranda of Understanding, uitwisseling van apostilles of verbaal nota’s, alles niet in verdragsvorm, of vergelijkbare informele betrekkingen zowel inkomend als uitgaand?

Het is mogelijk. Maar dan worden daarmede de Staten-Generaal als mede-verdragssluiter buiten de haken gesteld. En dat is inconstitutioneel, want de ratificatie van verdragen moet nu eenmaal bij formele wet: alweer een uitwerking van het materiële territorialiteitsprincipe. Kan het zijn dat het Openbaar Ministerie hier, zijn constitutionele inbedding vergetend ex artikel 128 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zich de positie van nationale centrale rechtshulpautoriteit aanmatigt? Deze brandende vraag raakt aan een zeer gevoelig en juridisch complex snijvlak in de internationale strafrechtelijke samenwerking: de spanning tussen effectieve misdaadbestrijding en de bescherming van fundamentele mensenrechten (zoals gewaarborgd in het EVRM). Het klopt dat Nederland uiterst terughoudend is met het sluiten van formele, bilaterale strafrechtelijke rechtshulpverdragen met landen waar de rechtsstaat en de detentieomstandigheden ernstig ter discussie staan, zoals Thailand. Formele verdragen scheppen immers verplichtingen tot samenwerking. Zij reduceren weigeringsgronden aanmerkelijk en er is geen armslag om enige opportuniteitstoetsing te introduceren ten aanzien van de beslissingen over de toelaatbaarheid van de aard van de rechtshulp en de mate van executieve inwilligbaarheid ervan. Daarom ontzegt de Uitleveringswet-1965 aan dat Openbaar Ministerie ook iedere opportuniteitstoetsing. Er is geen analogie met artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering mogelijk, er is geen afwegingsruimte om rechtshulpverzoeken niet in te willigen op gronden aan het algemeen belang ontleend. En er is evenmin ruimte om dat verzoek wel in te willen op grond van die belangen, ook als is er geen toereikend specifiek rechtshulpverdrag. In casu lijkt het er niettemin op dat de Officier dat nu juist wél heeft gedaan, gezien zijn verdragsloos inleidende rechtshulpverzoek. Hij heeft allerlei hinderlijke, immers remmende rechtshulpbeginselen willen ontgaan door de verzoeken om bijstand van Thailand informeel en eigenlijk vormloos af te handelen op dienstpapier. Maar daarmee schond hij de waarborgen onderliggend aan het fundamentele territorialiteitsbeginsel. Nederland wilde de drugshandel van Van Laarhoven officieel gedogen. Het wendde dus geen zelfstandige penal enforcement power aan, omdat dat zou strijden met staand beleid waaraan Van Laarhoven verwachtingen mocht ontlenen. Ondermeer deze, dat Nederland dan niet zou meewerken aan Thailands pogen om zijn penal enforcement power dan maar plaatsvervangend aan te wenden voor wat gebeurde in Nederland en waarvan Thailand vond dat het wanprestatie was gelet op alle drugsbestrijdingsverdragen die Nederland ratificeerde.
