Het OM of de politie gebruikt MoU’s (Memoranda of Understanding) over het algemeen niet om formele opsporingshandelingen te verrichten (zoals huiszoekingen of formele verhoren), omdat een MoU geen wettelijke basis biedt voor zulke zware dwangmiddelen. Wel worden MoU’s en internationale netwerken (zoals Interpol of de inzet van liaisonofficiers) intensief gebruikt voor: Informatie-uitwisseling: Het delen van intelligence en politiegegevens. Dit bevindt zich in de schemerzone tussen ‘politiële samenwerking’ en ‘strafrechtelijke rechtshulp’. Het schort nog steeds aan capaciteitsopbouw en expertise: Denk aan het trainen van lokale autoriteiten in het bestrijden van bijvoorbeeld cybercrime of kindermisbruik. Het pijnpunt: Hoewel informele informatie-uitwisseling via liaisons wettelijk mag, ontstaat het gevaar van onrechtmatige bewijsgaring zodra deze informele kanalen ertoe leiden dat buitenlandse diensten acties ondernemen die in Nederland wegens EVRM-schendingen nooit hadden mogen plaatsvinden. De onafhankelijke rechter op nationaal niveau gaat dan bewijsuitsluitingsregels toepassen. Hij hanteert de rechtsspreuk ex iniuria ius non oritur. Ik citeerde die hierboven in ander verband. Het gaat hier om een angelsaksische bewijsuitsluitingregel, in Engeland bekend als de “exclusionary rule”. Die werd op Het Continent niet erkend in 1950. Maar tegenwoordig wel. Deze bewijsuitsluiting leidt vaak tot vrijspraak. Men spande dan de paarden achter de wagen. De vervolgde kan niet veroordeeld worden. Op basis van verdragen. Dus moet de nationale wetgeving hier compensatoir maatregelen dicteren. De wetgever moet hier de basisvoorwaarden formuleren waaronder de verdachte dergelijke rechtspositieverslechtering toch alsnog dulden moet. Wat impliceert dat er een verdragsrelatie moet zijn tussen de staten, verenigd in enige rechtshulpbetrekking. Het verdrag moet immers bij wet geratificeerd worden. De volksvertegenwoordiging kan opgeven in hoeverre deze rechtspositieverslechtering niet te dulden is, gelet op de waarborgen die het materiële territorialiteitsbeginsel pleegt te bieden. Daarbij is de hypothetische situatie uitgangspunt die zou ontstaan als de Nederlandse Strafwet had kunnen worden gehandhaafd indien geen enkele rechtshulp van het buitenland gevergd had hoeven worden. Bij rechtshulpverlening is er per definitie een rechtspositieverslechtering, omdat de rechtshulpprestatie geleverd wordt naar buitenlands recht. En de Nederlandse rechter mag dat recht nu eenmaal niet toetsen. Niet naar innerlijke waarde, niet naar rechtmatigheden vanuit rechtstatelijk oogpunt. Het Fremdrechtsprinzip verbiedt dat. Dat gaf ik al aan. En ook dat het immanent is aan het materiele territorialiteitsbeginsel als allesoverheersende waarborgnorm bij de aanwending van penal enforcement power. Het gaat hier om supranationale rechtsontwikkelingen. Buiten de macht van de nationale wetgevers.

Tax Knowledge Building Foundation ter conferentie te Den Haag op 18 november 2024
Conclusie
Tracht het OM doelbewust verdragen te omzeilen via informele kanalen? Officieel is het beleid dat er bij elk contact scherp getoetst moet worden op mensenrechten. In de praktijk is echter gebleken (zoals de Ombudsman vaststelde) dat de druk om grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken er soms toe leidt dat informele, vaak politiële wegen worden bewandeld die de formele rechtsstatelijke waarborgen feitelijk uithollen. Het risico op “verkapt rechtshulpverkeer” is daarmee een zeer reëel en permanent punt van kritiek vanuit de advocatuur en mensenrechtenorganisaties. Verkapt rechtshulpverkeer geschiedt uiteraard buiten de Nederlandse verdragspositie om. Vanzelfsprekend. Dat is de toeleg ervan. Het opzettelijk vermijden van waarborgnormen die de verdachte zelf ex artikel 94 Grondwet in zou kunnen roepen als gronden voor onverbindendheid van Nederlands recht. Jegens de verdachte is dat onrechtmatig. En leidt het tot schadeplichtigheid van de Staat. In de zaak van Van Laarhoven is het uitzonderlijke, dat de Officier van Justitie Lucas van Delft die de opsporing en de Nederlandse strafvorderling leidde er helemaal geen doekjes om wikkelde dat hij de remmende rechtsbeginselen uit het interstatelijk rechtshulprecht informeel via sluikwegen wilde ontgaan. En dat hij daarom de Thai vroeg om bij het Nederlands Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek in te dienen teneinde te kunnen komen tot wederzijdse informatieverschaffing die kon leiden tot een Thaise vervolging waarin Van Laarhoven nu eindelijk eens lik op stuk kon krijgen voor alle drugshandel die Van Laarhoven op touw kon zetten om voor de Grass Company in Nederland te komen aan de verdovende middelen waarin deze rechtspersoon zich als coffeeshopketen in Nederland specialiseerde en die zo uitermate lucratief was. Deze rechtshulp zou Van Delft dan uiteindelijk doen resulteren in een overdracht van strafvervolging ten behoeve van Thailand, dat vervolgens de zwaarste sancties kon doen opleggen die het had, met de beruichte penitentiaire bejegening in de gevanngenissen met getraliede cellen zonder enige privacy en met het gezelschap van verschillende zware criminelen die met deze blanke wel raad wisten. Dat Van Delft daartoe besloot wegens het gedoogbeleid dat Nederland hanteerde bij dit soort commerciële drugshandel via coffeeshops ontkende Van Delft evenmin. Dat hij dat beleid op deze wijze wilde ontgaan om de relaties met Thailand weer wat op te krikken was oogmerk. Het komt zelden voor dat een lid van het Nederlands Openbaar Ministerie dat ruiterlijk toegeeft en ook, dat hij dat doet in overeenstemming met zijn hoger ambtelijk gezag. Te rijmen met de waarborgen die het territorialiteitsbeginsel nog altijd beoogt te zekeren ook aan de verdachte en diens deelnemers is dat niet. Zeker niet wanneer men dat territorialiteitsbeginsel in de absolute zin uitlegt als de EVRM-rechter te Straatsburg de lidstaten bij het Europese Mensenrechtverdrag voorschrijft sedert 1950. In de zaak tegen Julio Poch spande het Openbaar Ministerie met Spanje en Argentinië samen om dat absolute principe te omzeilen, maar daar had de dienstdoende officier tenminste nog de schroom zulks niet ronduit toe te geven. Zie de link: https://gerardstrijards.nl/zaakpoch-en-het-om/ Deze toeleg om het rechtshulprecht volledig opzij te zetten ten nadele van Poch was evenwel zo overduidelijk, dat de Staat der Nederlanden zijn schadeplichtigheid niet kon ontkennen jegens Poch. Zo moet het Openbaar Ministerie natuurlijk uiteindelijk niet opereren.
