De suggestie dat het Openbaar Ministerie (OM) daarom via Memoranda of Understanding (Moa’s) of informele netwerken probeert te komen tot “verkapt rechtshulpverkeer” is een gegronde standpuntbepaling om de onrechjmatigheid van deze betrekkingen te rechtvaardigen. De Officier van Justitie die deze zaak tegen Van Laarhoven leidde gaf inderdaad schriftelijk toe dat dit de opzet was. Meestal vereist rechtshulp, waarbij staatsburgerschapsrechten en fundamentele mensenrechten worden geschonden inderdaad een volledige verdragsgrondslag waarin de procedures op diplimastiek interstatelijk niveau nauwkeurig worden uitgeliund. Maar juridisch en feitelijk ligt het toch ook genuanceerder. Dit zit als volgt in elkaar:
- Waarom er geen formeel verdrag is (maar wél ad-hoc rechtshulp)
Het ontbreken van een bilateraal rechtshulpverdrag betekent niet dat rechtshulp juridisch onmogelijk is. Volgens de Nederlandse Wet op de Strafvordering kan internationale rechtshulp ook plaatsvinden op ad-hoc-basis (vrijwillige basis zonder verdragsverplichting). Bij elk inkomend of uitgaand ad-hocverzoek moet het OM (en uiteindelijk de minister) toetsen of er geen strijd is met fundamentele rechten, zoals het risico op foltering, onmenselijke detentieomstandigheden (artikel 3 EVRM) of de doodstraf. Dat Thailand geen implementatie gaf noch zal geven aan de UN-minimum standardrules on detention is te dezen significant voor de onrechtmatigheid van de opstelling van de Officier. Omdat Thailand de doodstraf kent en de gevangenissen berucht zijn, liggen deze toetsingen politiek en juridisch onder een vergrootglas. Dat Thailand en Nederland te dezen uirtgebreid vooroverleg hebben gepleegd wordt volkomen wederkerig erkend. En eveneens dat dat geen eigenstandige verdragstechnische grondslag had. Dat is merkwaardig omdat dat doorgaans bij hoog en bij laag ontkend wordt.

- Het aanmerkelijk risico op “verkapt rechtshulpverkeer”: De zaak-Van Laarhoven exemplarisch
Een moeilijk weerlegbaar vermoeden over het Nederlands Openbaar Ministerie dat informele wegen insloeg die de formele constitutionele rechtswaarborgen omzeilen, sluit naadloos aan bij de kritiek die is geuit in deze spraakmakende zaak van coffeeshophouder Johan van Laarhoven. In deze zaak bleek dat toen de formele wegen (het rechtshulpverzoek) stroef liepen, de Nederlandse politie-liaisonofficier in Thailand een brief stuurde aan de Thaise autoriteiten met de suggestie dat Thailand zélf een strafrechtelijk onderzoek moest starten. Dit leidde ertoe dat Van Laarhoven en zijn Thaise echtgenote in Thailand werden gearresteerd en tot loodzware celstraffen werden veroordeeld in erbarmelijke omstandigheden. De Nationale ombudsman oordeelde in 2019 vernietigend zoals ik aangaf over dit optreden: De overheid had onzorgvuldig gehandeld en de mensenrechtelijke risico’s uit het oog verloren. Critici en advocaten spraken destijds exact in deze bewoordingen: dit was een vorm van “verkapt” of informeel rechtshulpverkeer waarbij de strenge Nederlandse rechtsstatelijke criteria (zoals de EVRM-toetsing) via een informele achterdeur werden omzeild. De vraag is nu hoe de civielrechtelijke aansprakelijkheid ligt van de Staat der Nederlanden en hoe deze verzilverd zou kunnen worden. Wat de uitkomst van die rechtsaanhangige procedures ook moge zijn, strafvorderlijk zijn ze verder betekenisloos, ook volkerenrechtelijk. Mocht blijken dat de Staat aansprakelijk is jegens Van Laarhoven, dan betekent dat geenszins dat Thailand ook zijn rechtsmachtkring onrechtmatig activeerde. Verder erkent Thailand het beginsel ex iniuria ius non non oritur — uit onrechtmatigheid kan geen recht hoe dan ook ontstaan — niet. Dat geeft aan het nog hangende hoger beroep in Nederland een eigenaardige dimensie. Het geeft ook de beperkingen van het stellige volkerenrecht navrant weer. Daar ga ik even niet op in, nu de zaak nog zeer lang rechtsaanhagig zal blijken in Nederland. Want wat het Hof te Den Haag ook moge besluiten, er zal ongetwijfeld cassatie tegen de eindbeslissing aangetekend worden bij de Hoge Raad der Nederlanden. Is dat gebeurd dan is ook nog mogelijk dat daarna door Van Laarhoven rechtsingang gezocht zal worden bij het Mensenrechtenhof, hiervoren ook EVRM-Hof genoemd, omdat de vervolgde is gekrenkt in bij het Mensenrechtverdrag gedefinieerde waarborgnormen zoals zich dat Verdrag jurisprudentieel heeft ontwikkeld. Vaak via de aangehechte reeks Protocollen die ook steeds verder opgerekt zijn. Die hebben zich geëvolueerd tot evenzovele rechtshulpweigeringsgronden die door Van Laarhoven als direct inroepbare waarborgnormen kunnen worden ontwikkeld, ook bij dat Straatsburgse Hof.
