Omdat hun macht in het buitenland tanende was wilde men zich ten opzichte van de omringende landen beter presenteren. Uiterlijke sier was daar een onderdeel van. In de Republiek bestond geen dominerend hofleven waardoor men zich aan de algemene Europese stijl, die van de Franse stijl was afgeleid, aanpaste. Door de verdergaande oligarchisering en de vermeende verfransing leek het er op dat de Hollandse regentenstand zich van de rest van de samenleving vervreemdde. Aan het eind van de 18e eeuw ontstond een aristocratische beweging waarin de regenten in de Republiek zich onafhankelijk probeerden te maken van het stadhouderlijke patronagestelsel dat ze zelf in het zadel hadden geholpen, toen dat de politieke en economische vrijheden van de heren te veel ging beknotten. Oude historici als Colenbrander en Geyl bestempelden de gebeurtenissen die daarop volgden als een strijd tussen patriotten en staatsen. Anderen definiëren de historische ontwikkelingen in de negentiende eeuw daarentegen in als een democratische beweging die voortvloeide uit de ontwikkeling dat burgers zich gingen organiseren in bewapende vrijkorpsen om zich te kunnen verdedigen tegen oproeren van de laagste klassen als het Haagse oproer van 1782. Sommige geschiedschrijvers stellen dat vroegere geschiedschrijvers vastzaten in het ‘oligarchisch-orangistisch geschiedbeeld’, en de orangistische terreur tegen de burgers hebben verdoezeld of over het hoofd gezien. Men zegt dan dat het ware onderliggende mechanisme van de patriottenbeweging een strijd was tussen de heren, die zichzelf als de natuurlijke leiders van het land beschouwden, en burgers, die van het bestuur en de rechtspraak waren uitgesloten en een aandeel in het bewind opeisten.

Aanvankelijk zagen sommige regenten wel wat in samenwerking met de burgers, maar toen deze op structurele hervormingen uit bleken te zijn, kozen de heren voor samenwerking met Oranje en terugkeer tot de oude orde. Utrecht werd de eerste stad met een democratisch bestuur, waar ook burgers iets te zeggen hadden. Toen haakte de meerderheid van de regenten af. Het beeld wordt vertroebeld omdat de burgers afhankelijk waren van de regenten en dus niet vrij konden handelen. Dan noemt men de groep rond Schimmelpenninck daar een voorbeeld van. Dat is de periode van het Bataafsch Gemeenebest. Dat heeft het maar één jaar echt volgehouden. En het eiste vier staatsgrepen om het te constitueren. Met militair geweld en politieke vervolgingen. Zó democratisch was dat dus nou ook weer niet. Uiteindelijk is de eenheid in bestuur van alle grondgebieden naar democratische beginselen opgedrongen door Napoleon en de afspraken gemaakt op het Congres van Wenen, uitgevoerd in de Bataafse Republiek. Thorbecke, die na de val van Napoleon de nieuwe democratische structuur in het Koninkrijk der Nederlanden vorm moest gaan geven, kon de democratisering doorzetten en de macht van de regenten terugdringen met ingrepen in de grondwet van 1814, afgestemd op het Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden waarin de Belgen en de Noord-Nederlanders moesten samenwerken als een volkomen amalgaam, zoals Whitehall eigenlijk wilde.
Dat bleek uiteindelijk helaas niet mogelijk: de Belgen en de Hollanders verschilden daarvoor toch onderling iets te veel, hoezeer met meer tact van Koning Willem I het misschien toch wel mogelijk was geweest. West-Vlaanderen en De Borinage kwamen wel tot zekere welvaart, maar de rest van de Zuidelijke Nederlanden bleef economisch te veel tobben tot en met massale hongersnoden toe. De regenten lieten het gebeuren, vooral de Franstaligen. Want die wilden na 1825 toch liever aansluiting bij Frankrijk dat zich van alle bloedbaden dat het aangericht had toch wist te herstellen. Willem I ging oorlog voeren om de Belgen tot betere gedachten te brengen en omdat hij het militaire bedrijf niet verstond, geen geopolitieke doelen wist te definiëren en geen gevoel had voor internationale verhoudingen en gevoeligheden werd de operette-oorlog nog belachelijker dan ze bij de eerste wapenroep van de Koning al was. De regenten met de Franskiljonse tongval zagen hun kans, riepen de hartstochten van de galerij wakker en stichtten een staat waarin regenten wer konden doen en laten wat ze wilden zonder electorale rugdekking. Dat gingen de Hollanders toen van de weeromstuit ook doen. En dat beviel uiteindelijk best. Opportunisme is regenten eigen en gebrek aan ambachtelijke vaardigheden ook. Ze huren steeds voor het vervelende kluswerk middenstanders in, die blij zijn dat ze mee mogen doen en in hun kundes zekere erkenning krijgen. Vraagt men de regent met acdemische opleiding naar de drijvende krachten in nijverheid, onderneming of dienstenbureau dan antwoordt hij stelselmatig dat hij het niet precies weet maar dat hij “zijn mensen” daarvoor heeft, die het maar wat fijn vinden dat ze de ICT mogen uitrollen, de kantoortuin onderhouden en notulen mogen opstellen en het koffiezetapparaat mogen schoonmaken. Zelf gaat de regent naar de recepties om te netwerken en drinkt daar zijn matineuze witte gekoelde wijn al is het nog vroeg in de ochtend. Toen de boomers aan de macht waren was dat korenwijn met bitterballen. En dat werd pas tegen vieren rondgepresenterd. Maar de millenials staan de Derde wereldoorlog af te wachten met kwalitatief hoogwaardige Sancerre, vergezeld van kaviaarbolletjes uit De Krim, al deugt Putin natuurlijk niet. Het serviesgoed wordt later gecollectioneerd, want daar heeft de receptieganger zijn mensen voor die ook de platgetreden kaasstengels uit het lichtblauwe tapijt verwijderen, dat doen ze graag en daar zijn het de mensen ook voor.
