Deze omhooggevallen en hooggestemde burgers, ineens toegelaten tot diplomatieke conferentietafels en tot boudoirs waar ze nooit hadden gedacht toe genood te worden, werden ieder voor zich en afzonderlijk de incarnatie van het spreekwoord “Als niets komt tot iets, kent niets zichzelve niet”. Of, in de bewoordingen van Johan de Witt, later, “Als apen hoog klimmen willen ziet men ras hun blote billen” (simii scandentis partes posteriores nudae videntur) zoals deze raadpersionaris van Holland en de Staten-Generaal steeds weer schimpend vermeldt in zijn rampjaar 1672. Ter camouflering van hun innerlijke onzekerheden omdat hen rangen en onderscheidingen toevallen waarop ze geen recht hebben en die ze zichzelf ook eigenlijk betwisten ventileren ze uiterlijk deerlijke hoogmoed die dan ook steeds weer voor de val komt. Zij zijn het die de bestandsvoorwaarden van 1609 gaan invullen tegenover majesteiten, excellenties, hoogheden en eminenties en daarbij veel te hoog van de torens gaan blazen, tuk om op zeer korte termijn zoveel mogelijk gewin binnen te halen voor zichzelf en hun eigen coterie. Omdat ze in hun hart te goed menen te weten dat ze eisen stellen die ze individueel niet verdiend hebben en ook niet waar kunnen maken. Ze zijn daarop uiteraard niet aanspreekbaar. Want wie dat zou trachten raakt hen in hun Achilles-pees. En dat doet niet alleen pijn, veel erger dan die steek die toegebracht werd deed verwachten, het verstoort ook hun emotionele huishouding uiterlijk merkbaar.

Daarom brengen de regenten vanaf 1609 hun Republiek veel meer wonden en leed toe dan het doel van hun gesties ooit zou kunnen rechtvaardigen en dat weten ze zelf maar al te goed. Maar wanneer paniek hen overweldigt — en dat is vaker gebeurd dan wij uit de acten van de Staten-Generaal zouden kunnen afleiden — kunnen ze deze ontremmingen niet de baas. Het overvalt hen, dat schemerduister van het gemoed, en wanneer het zo is, dan kunnen ze weinig anders dan met grote verkrampingen aan hun ingeslagen koersen vasthouden. Ze brengen door dat euvel de Republiek tot aanzien, maar breken dat ook vakkundig weer af bij de Vrede van Utrecht in 1713 als wanneer ze Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië alle voordelen van de transoceanische beurtvaarten in enkele pennestreken laten en bijvoorbeeld het slaventransportmonopolie westwaarts over de oceanen zonder tegenprestaties laten slippen ten faveure van de Londense Lloyd, die daar maar al te goed raad mee weet. Vanaf dat moment is de Republiek geen grote zeemogendheid meer en kan het ook geen middelgrote koloniale macht meer heten, als hoedanig het wel pleegt te poseren. Dat zullen de Nederlanden ook nooit meer zijn. Zij zullen slechts mogen optreden wanneer ze zulks kunnen doen met machtiging van de Engelse kabinetsregeringen van het Huis Hannover. Maar de regenten zullen het zelf niet in de gaten hebben, dat is het merkwaardige. Omdat de regenten van 1814 ook niet begrijpen dat ze te Wenen slechts aan tafel genood blijven zolang Whitehall dat goed uitkomt als afleidingsmanoeuvres bij de grotere geopolitiek van de Londense City. Whitehall gunt Den Haag het tijdelijk beheer over de Indische Archipel omdat het zelf deze beheerstaak niet kan uitvoeren wegens een overspannen greep op het immense koloniale wereldrijk dat het heeft weten te stichten en waarvoor het jaarlijks een immense oorlogsvloot op stroom en in de vaart moet blijven houden. Dat het dat niet kan blijven doen weet Whitehall maar al te goed en het richt zijn handelspolitiek dienovereenkomstig in. Maar te Den Haag regeren slechts de nazaten van de falende regenten van 1713. Daaraan zijn dat soort inzichten niet besteed. Tot op onze dagen toe. Vandaar dat Nederland nog zo lang blijft poseren als gidsland. Dat doet het terecht, voorzover het de lemmingen leidt die zich toch al afgrondwaarts haasten, zoals de varkens, door satan beheerst, die de Alverlosser ook verwees naar die afgrondloze spelonken.
