Daar heb ik mijn mensen voor III

Een van mijn patronen binnen de advocatuur te Rotterdam, residerend aan de deftige Heemraadssingel, had een buitengewoon goede hand van kiezen wanneer het ging om gevaarvolle en gecompliceerde zaken waar men als beginneling zwaar een buil aan kon vallen. Zelf was hij steeds bezig met iets wat hij zijn extra-judiciële praktijk noemde en die steeds resulteerden in de aankoop van de in deze periode in opkomst zijnde beleggingen in marine-vergezichten samenhangende met de Rotterdamse havenbekkens, aangelegd op last van Johan van Oldenbarneveldt, de raadpensonaris van deze havenstad die in 1572 de kades liet aanleggen oostelijk van de Leuve, de aloude wetering die onderhevig bleef aan eb en vloed. De glashaven, de wijnhaven, de scheepmakershaven, de uitgediepte Blaak. De patroon grossierde op den duur in de Hendrick Sorghs en de Pieter de Hoochs. Terwijl de stagiaires de hitte van de dag torsten in de wijngaarden van de meester die zo nu en dan eens kwam kijken of er ook bij brandende zonnenschijn vlijtig geplukt werd zonder de ranken te beschadigen. Nodeloos te zeggen dat de patroon het zichtbaar naar den vleze ging. Dat kwam mede tot uitdrukking door de door hem geleasde wagens met boordtelefoon, die hij vaardig bezigde, zich voortspoedend  over de Tweede Middellandsstraat. Wij hadden de Rotterdamse penoze tot vaste klant, maar de patroon stond daar ver boven en had op den duur zelfs geen hoofdknik meer over over deze soort klanten, samendrommend in de smalle gang, reppend in het onzegbaar patois van Rotterdam Oud West. Hij stond daarmee voorbeeldeloos aan het hoofd van de eindeloos lange rei leidinggevenden van neoliberale snit die ik zou gaan ervaren, op weg naar een onbekende horizon waarop ik thans met weerzin terugkijk. Ze wisten geen van allen ook maar bij benadering wat er precies in de rechtszaal plaats vindt en wat het onderscheid zou kunnen zijn tussen strafvordering en burgerlijke rechtsvordering. Daarop waren ze zonder uitzondering trots. Ze etaleerden het dus.

En dat doen dat soort lieden nog steeds, zoals ik ook ervoer aan enkele advocaten van de Amsterdamse Zuid-as die mij tegen heug en meug recentelijk meenden te moeten raadplegen over internationaalrechtelijke vraagstukken. Ook zij hadden daarvoor hun mensen, zoals de heer Paternotte ook niet in staat is een Rijksbegroting cijfermatig te duiden, want ook hij heeft daarvoor zijn mensen, zij het dat deze politicus tevens geen enkel benul heeft van enige conjunctuurpolitiek of macro-economische verkenningen op langere termijn. Dat treft opvallend vaak te zamen, evenals het euvel dat men niettemin een opvallend grote bek heeft over juist die onderwerpen van debat. Met deze eigenheden schijnt men geboren. En dat kan je aan de gelaatsuitdrukkingen en de oogopslag meteen ook zien, mits men daarvoor vaardig is in dat opzicht enige aftastzin te ontwikkelen. Zo was het nu ook met de persoonlijkheden die in 1609 tot hun verbazing erachter kwamen dat Madrid eigenlijk bereid was af te zien van soevereiniteitspretenties over de gebiedsdelen in de Lage Landen noordelijk gelegen boven de toenmalige Rijnloop zeewaarts.

Madrid was bereid het moede hoofd in de even zo moede schoot te leggen. Deze vooraanstaande burgers konden te nauwernood hun verbijstering verheimelijken dat de diplomaten van Madrid bereid waren hen aan te spreken als “Hunne Hoogmoogendheden”, een apart uitgevonden titel voor deze koophandelsmagnaten die goochem hadden aangevoeld dat de economische tijden wendingen waren aan het aannemen waarbij een handige sjaggeraar ruim baan kon maken in de Nieuwe Wereld die min of meer gedetailleerd genoeg voor transoceanische beurtvaarten in kaart was gebracht — door de Portugezen en de Belgen in hun gevolg. En niet door de Hollanders, die later die renommee wel opeisten. Ze trokken zich ook opmerkelijk weinig aan van de gangbare opdelingen van de aardkloot in monopolie-zones zoals bij de Concordaten van Tordesillas (1494) en Zaragozza (1527) was gedaan, ook weer met blijde verrassing dat vergelding uitbleef. Maar ze stonden kennelijk aan de goede kant van de vuurmonden van hun schepen die ze uit deden varen: de kant waar de kogel eruit komt met zekere hittevorm en snelheid. Ik zeg het maar even. Voor alle duidelijkheid. Deze koopmannen besloten daarom, dat ze erg veel maken konden op deze stoffelijke aarde en dat ze dus erg bijzonder moesten zijn. En daar gingen ze royaal gebruik van maken. En omdat het verwarde tijden waren, hield niemand ze tegen.