Buitenhof revisited 2026

Buitenhof:  Drie mensen aan een tafel bespreken de Iran-crisis

 

Geert Mak wordt als eerste eerbiedig bevraagd als historisch deskundoloog die het indringend gedragswetenschappelijk weet te brengen. Hij ziet immers parallellen met het verleden en vooral analogieën.  Dat doet hij al jaren.  Men vraagt hem daarom graag bij de Nederlandse Publieke Omroep. Want dan is zeker dat er geen bloed zal vloeien. Een geen uitmiddelpuntigheden zullen worden betracht. Twan Huys is daarbij doorgaans spelleider. Ook hij is bezorgd. En hij wil dan weten van Mak of het wel los zal lopen. Nu, dat weet Mak nog zo net niet niet. Het kon best eens uit de hand lopen, net als in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Mak licht dat toe. Evenwichtig. Kundig. Mak is geen historicus. Hij heeft rechten gestudeerd en is schrijver geworden in een tijd waarin het woord historisch vooral betekende: moreel gezag uitstralen met voetnoten. Hij is een gemankeerd verteller, geen onderzoeker. Zijn talent zit niet in analyse, maar in herkenbaarheid: hij maakt het heden begrijpelijk door het te herleiden tot iets wat we al kennen — liefst iets wat we vrezen. Dat doet hij nu ook. Twan is zichtbaar onder de indruk.

Want er zijn veel dingen op dit moment, die erg lijken op de tijd dat Hitler in Neurenberg flink stond te schreeuwen. En toen Den Haag ook in zijn schulp kroop. Onder Colijn. Die voor Duitsers destijds te veel begrip had. Dat doet Jetten nu bij Trump. Daarvoor heeft de kleine premier met de blikkerende grijns te veel begrip. En dat moet ergens niet, licht Mak toe. Ook zier barst het vaal de analogieën die we ons te harte zouden moeten nemen. Als Nederlanders natuurlijk, maar ook als NAVOgenoten. Als leden in een globalistische wereld met veel interdependenties. Net als toen de Duitsers Rijnland hernamen. Er zijn frappante overeenkomsten, die ziet Mak altijd en steeds en dat moet ons te denken geven, dat vindi Twan ook. Mak is blij dat hij begrepen wordt en geeft nog wat meer draad.  Dat doet hij hier ook. Te snel. Te zeker. Te groot. Mak ziet geen Amerika, hij ziet een spiegel van zijn ingebeelde demagogische herinneringen. Zijn jaren ’30 zijn geen analytisch kader meer, maar een reflex. Alsof hij bang is dat, als hij het niet onmiddellijk benoemt, het kwaad ongezien voorbij zal trekken. Dus zegt hij het alvast. Hard. Definitief. ICE is bij hem geen instantie meer, maar een symbool. Trump geen politicus, maar een type. De rechtsstaat geen complex systeem, maar een voorportaal van de afgrond.

Dat werkt goed op televisie. Het klinkt als wijsheid. Maar het is vooral Rosaspierretoriek: angst die zich voordoet als ervaring van een overjarige man die wil shinen. Die in het Rosaspierhuis terug ziet op een rijk bestaan en een welbesteed leven. Maar dan is daar de ratelende stem van Roxane van Iperen met vele glissandi aan het eind van haar zinnen. Van Iperen leeft niet van ideeën, maar van geleende inzichten. Ze leest veel, onthoudt goed, en spreekt snel genoeg om te voorkomen dat iemand vraagt: “van wie is dit eigenlijk?” Dat doet dan ook niemand. De kijker is geïmponeerd al kan hij de gedachtenontvouwingen niet volgen. Dat ritme. En dan de Engelse moeilijke woorden. Haar meningen zijn niet fout — ze zijn onverteerd. Ze serveert andermans analyses als eigen intuïtie, gemonteerd tot een glanzende woordensalade waarin alles met alles samenhangt en niets nog vast te pakken is. Frontstage. Backstage. Zwarte doos. Weefgetouw. Accelerationisme. Het zijn geen begrippen meer, maar decorstukken. Ze praat alsof ze voortdurend achter het gordijn kijkt, maar laat nooit zien wat ze daar concreet ziet. Geen causaliteit, geen weging, geen twijfel — alleen stapeling. Hoogstapelingen. Abstracties. Neen: Van Iperen is niet dom. Integendeel. Ze heeft een hoge vlucht. Maar ze is verliefd op complexiteit en wantrouwt eenvoud zózeer dat ze uiteindelijk niets meer verklaart. Haar grootste angst lijkt te zijn dat iemand zegt: “Dit klopt niet.” Dus maakt ze het te groot om te falsifiëren. Ze klinkt scherp, maar is veilig. Radicaal in taal, voorzichtig in verantwoordelijkheid. Joost Vullings valt in als Twan uitvalt.  Ach, Vullings. Vullings is geen interviewer, geen analyst, geen tegenmacht. Hij houdt het gezellig. Dat lukt best. Hij is ook meubilair met een microfoon. Hij zit daar om overgangen te maken, niet om vragen te stellen. Hij is vulling. Dat doet hij goed. Om ernst te bewaken, niet om scherpte toe te laten. Hij voelt feilloos aan wanneer hij níét moet doorvragen —en dát is zijn belangrijkste vaardigheid. Net als Mak blijft hij dagbladverslaggever. Vullings is het type journalist dat denkt dat neutraliteit betekent: niemand ongemakkelijk maken die al serieus kijkt. Dat is prettig op de zondagmiddag. Hij knikt waar hij zou moeten snijden. Vat samen waar hij zou moeten onderbreken. En noemt dat dan reflectie.