De Engelsen koesterden in de Middeleeuwen doorgaans als strafvorderlijk model binnen gewesten, districten, graafschappen, kieskringen en stedelijke agglomeraties het model van een regionale jury die eerst de feiten vaststelt op basis van een tenlastelegging waarin werd uiteengezet wie, waar en hoe de Vrede van de Koning ( the police of the King) gekrenkt was en wie eventueel daar slachtoffer van was. Het moest dan gaan om feiten die meerdere gemeenschappen betroffen. Die gemeenschappen moesten dan mensen leveren van eerbare reputatie, die aan zekere eisen voldeden, bijvoorbeeld dat ze steeds in eigen onderhoud hadden kunnen voorzien, wettige ouders bezaten, een ambacht konden uitoefenen en een belasting aanslag in natura plachten te voldoen en geen aanspraak hoefden te maken op publieke onderstand uit de talloze liefdesfondsen die in de streek gecollectioneerd waren en waaruit voorzieningen, bedelingen en verplegingen plachten te worden verstrekt, de zogeheten Heilige Geesttafelen. Een jurylid had daaraan integendeel steeds bijgedragen en hij had nooit gebedeld, hoe dan ook: hij kon dat bewijzen middels een hem meegegeven ontlastbrief van de gemeente.

De eis van lezen en schrijven was niet gangbaar. Dat was echt te hoog gegrepen. De rechtshandhaver van de regio, meestal de Sheriff, kon gewagen dat de aangezochte persoon voor een jury nooit ’s Koningsvrede had geschonden en dat hij, áls hij dat wel had gedaan, de daaraan verbonden schuld eerbaar had afgekocht. Zo beginnen de christelijke procedures tegen ernstige schavuiten, dat is de symptomatische verandering die het christendom bij de Angel-Saksen heeft teweeg gebracht: de zaken moeten worden voorgelegd aan een eerbare raad van gelijken. Dat staat niet in de Magna Charta, maar die vooronderstelt dat wel. De Charta codificeert dat recht om door gelijken berecht te worden voor edelen, die er zeker van moeten zijn dat hun Koning ze niet zal gijzelen voor de schulddelgingen die de Koning heeft aangegaan met de Heilige Stoel bij wie hij een onbeperkt langetermijnkrediet heeft lopen in munten met zijn interne territoriale soevereiniteit als zekerheidspand. Want dat heeft Jan Zonderland, John Lackland die alles wat hij te gelde kon maken heeft verbrast aan wijntje en trijntje, gedaan in het begin de dertiende eeuw. De soevereiniteit is als het ware hypothecair geconcessioneerd door die Koning. Aan Rome. Dat soort overeenkomsten gaat Rome in deze periode wel vaker aan, uit geopolitieke overwegingen. Dat maakt de positie van de adel dus onzeker. Gelast die Koning of soeverein een vazal te komen op zijn residentiekasteel, dan is het de vraag of de edele ooit nog vrij zal komen. Tenzij hij een delging voor de Koning overneemt en tot de zijne maakt.
Dat is gevaarlijk, want niemand weet hoever de Koning zich in de nesten heeft gestoken. In de Lage Landen komen we deze concessioneringen ook tegen, met precies dezelfde oogmerken: het consolideren van de territoriale macht van de paus. Alleen zijn hier de toeleggers als schuldenaren de Graven van Holland, Zeeland en Vlaanderen die zich nog waar moeten maken als soevereinen. En zij hebben hun rechten tot dijken inzet gemaakt van zekerheidsstelling. In Engeland is de kapitale jurisdictie in strafzaken het voornamelijk onderpand, dat is dus nog heel andere koek. De reden is, dat er in Engeland niet overal steeds brede en zware zeewerende dijken nodig zijn en in de Lage Landen wel. Is er een delict tegen de Vrede van de Kroon begaan, dan moet er dus een jury komen voor de feiten vaststelling. En dat op basis van een inbeschuldigingstelling die ook duidelijk verwoordt dat die Vrede in het geding is. Letterlijk.
Die tenlastelegging moet zijn uitgeschreven – en dat is heel wat in deze periode – en daarin moet herkenbaar zijn wat voor misdrijf bedoeld wordt. De berechting moet op locatie plaatsvinden en daar moet ook met luider stemme in een openbare vergadering die tenlastelegging voorgelezen worden in het zalvende jargon van de kanselarij van de Koning. Dat doen geleerde raadslieden die ver boven de heffe des volks zijn verheven en dáár heb je dan de voorlopers van de KC’s en QC’s. Ze kunnen de taal van de Koning spreken en schrijven! Het zijn geleerden! Magiërs, dus. Ze vallen op door sacramentele plechtgewaden zoals de christelijke priesters wier indrukwekkende dracht ze evenaren. Dat alles willen de Engelsen herkennen. In hun belangrijkere strafgedingen. En zoals je priester bent voor eeuwigheid, zo laat ook de KC zich niet gezeggen door bureaucraten die hem namens Westminster instructies komen geven. Dat zit diep in de Britse constitutionele verhoudingen. Dat heeft Keir Starmer dus heel goed geweten toen hij aanzei dat de rechtsgedingen ten principale heropend zouden worden ten nadele van de grooming gangs en dat de KC’s nu echt recht zouden gaan plegen. Heel goed.
