Grotere organisaties met een strikt geregelde interne hiërarchie kennen het fenomeen van het woordloze systemische collectief verzet tegen de bevelsbevoegde meerdere die zij als buitenstaander rubriceren. In kleinere is dat reeds daarom niet goed mogelijk omdat de deelnemers individueel zo goed traceerbaar zijn en “duiken bij ongelukken” bijna niet mogelijk is. In grotere met een niet uitputtend geregelde hiërarchische structuur kunnen de aansprakelijken altijd blijven ontkennen dat ze op het dreigend aankomend ongeluk tijdig en regelmatig attent waren gemaakt door derden die de onvermijdelijkheid ervan konden begroten. Alleen zullen die derden zich daartoe nooit willen presenteren omdat klokkenluiders per definitie desastreus afgeserveerd worden. Ook nadat breed en officieel erkend werd dat ze gelijk hadden. Ik had dat in de IRT-affaire al meegemaakt toen de voormalige arrondissementsofficier in het rechtsgebied Haarlem zich min of meer metterwoon op mijn kamer vestigde en mij eigenlijk dagelijks bewees wie wel schuld had gehad aan het kwijtraken van massale hoeveelheden onversneden Columbiaanse witte cocaïne met een verbijsterende straatwaarde. Het gaat hier om de Officier Onno van der Veen. Hij zat ineens tegenover mij op mijn kamer bij de directie Onderzoek en Ontwikkeling van het Parket-Generaal. In juni 2000. Enigszins verwilderd. De Wijckerslooth liet mij vragen wat Onno te doen zou kunnen krijgen. En daar keek ik bepaald van op. Maar dat zou ik vaker gaan doen. Onno van der Veen, die als Haarlemse officier van justitie betrokken was bij de beruchte IRT-affaire, overleed kort daarop in een Haarlems ziekenhuis. Hij is 53 jaar oud geworden. Van der Veen gaf in de jaren negentig leiding aan het Interregionale Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT), dat als opsporingsmethode tonnen drugs doorliet op de Nederlandse markt. Dit leidde tot de IRT-affaire. Die leidde weer tot een parlementaire enquête onder leiding van Tweede-Kamerlid M. van Traa. En van der Veen kreeg de schuld. Dat verbijsterde hem. Mok ook. Wat ik kende zijn heldendaden. Van der Veen was bijvoorbeeld ook aanklager bij de rechtbank in Haarlem in de zaak tegen Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn. Mooie carriëre. Een mannetjesputter. Een crime fighter. Zo had ik hem horen roemen. Na de IRT-affaire vertrok Van der Veen naar het openbaar ministerie in Den Haag bij het hoofdkantoor aldaar. Verdween eigenlijk Er kwam nog meer lijken voorbijdrijven. . Hoofdofficier van justitie in Haarlem L. de Beaufort werd hoofdofficier in Utrecht. Volgens toenmalig minister Sorgdrager van Justitie waren deze overplaatsingen het gevolg van de IRT-affaire. Onno moest het zwaar ontgelden. Somber zat hij tegenover mij te lijden. Daarnaast was hij sinds 1998 raadslid voor de PvdA in Haarlem. Daar leed hij nog meer.
Hij kon zijn schuldige meerderen met name noemen. En ook hun verwijtbare opstellingen, meestal te wijten aan bureaucratische lamlendigheid. Onachtzaamheid en onbereidwilligheid om achter het veilige bureau op te staan en zelf in het veld onderzoek naar de gesties van onderhebbenden te gaan plegen. De naam van de Graaf van Randwijck viel steeds, de procureur-generaal voor het ressort Noord-Holland destijds. Onno rekende mij uitvoerig voor hoeveel porties cocaïne onder geborgde controle waren afgeleverd en toch zoek bleken: doorgezet als handelaar in de gemeenschappelijke rechtsruimte van de Europese Economische Gemeenschap waar men ze niet meer kon opsporen, niet naar transport, niet naar bestellers en niet door de consumerende afnemers. Maar dat was bij Van Randwijck bekend geweest met verzoek om de juiste maatregelen. Die had de zaak laten lopen. Steeds. Niet van zijn kamer af te branden. Steeds zich richtend naar de informaties vanwege de hoofdstedelijke politie. Die van Amsterdam.

Omdat die Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck met de IRT-affaire uiteindelijk tóch, hoe is het mogelijk, zijn gezag verloren had, werd hem in de loop van 1994 meermalen door Justitie te verstaan gegeven dat het beter was als hij een andere functie zou aanvaarden. Van Randwijck was dat echter niet van plan en gesteund door het rapport van de commissie-Wierenga, dat de Delta-methode niet onrechtmatig had genoemd, wist hij dat hij ook moeilijk weg kon worden gepromoveerd. Van Randwijck stelde daarom hoge eisen aan zijn vertrek en uiteindelijk koos het ministerie eieren voor zijn geld. Op 25 oktober 1995 maakte De Telegraaf bekend dat er met Van Randwijck een overeenkomst gesloten was, waarin hij zeven jaarsalarissen plus een half miljoen gulden kreeg, op voorwaarde dat hij onmiddellijk met pensioen zou gaan. Dit zorgde voor grote politieke en maatschappelijke commotie en de Tweede Kamer vroeg een spoeddebat over de kwestie aan met de verantwoordelijke Minister van Justitie Sorgdrager. Maar, zo bracht Onno schier snikkend uit, zittend op mijn verhuisdozen – meubilair was er voorlopig voor ons niet, gezeten als we waren achter de telefooncentrale waarvan de inrichting de hoogste prioriteit had, Van Randwijck had een riant wachtgeld gekregen met compensatie voor zijn ruime secundaire activiteiten, terwijl Onno, maar zijn lot moest beiden in barre onzekerheid terwijl hij zijn instructies keurig had opgevolgd. Wat moest hij nu? Die vraag bedoelde Onno retorisch. Want hoog had hij mij aanstonds niet zitten. Weer zo’n intellectueel met onbegrijpelijk vakjargon. En hij stak maar weer eens de zoveelste sigaret op. Hij eiste eerherstel. Hij is dan ook aan een hartaanval gestorven staande op het winderige station Leiden wachtend op de aansluiting naar Haarlem op zijn forenzendag, want De Wijckerslooth had desgevraagd doen weten dat Onno zich voorlopig beter niet kon laten zien in de omgeving van het Openbaar Ministerie. Voorlopig kreeg hij geen mobieltje, geen laptop en geen wifi van de zaak. Zo wordt de spreuk aan ons geïncarneerd sic transit gloria mundi: zo vergaat het wereldse roem. Men pleegt dit aan een pas gekozen Paus voor te houden onder het afbranden van een stuk vlas dat de kardinaal-datarius alsdan tussen duim en wijsvinger pleegt voor te houden aan de Heilige Vader die nog niet kan wennen aan het unieke wit waarin de kardinalen hem gehuld hebben terstond nadat hij de baan aanvaardde. Meestal brandt de datarius geweldig zijn duim en wijsvinger want zo’n lont brandt knetterend veel harder dóór dan een ouwe van dagen ziet aankomen. Dat is het mooie van het ritueel. Bedoeld is het niet, die smartelijke bijkomstigheid. Maar passend is het wel. Zoals de fysieke desolatie van Onno, zittend tegenover mijn onbeduidende gestalte. Dat vond Onno nog het ergste. En daar kon ik een heel eind in mee gaan.
