Tilburgse intriges II

Die merkwaardige gesprekken met de Italiaanse eega van die progressivistische professor Joest, die ook nog eens flink veel politieke ambities bleek te hebben, waren midden in de warme zomer geweest. Die vrouw had in haar deerniswekkende desolatie nogal wat aan Nieboer opgebiecht over het huwelijksleven dat ze leidde met deze professor, mede omdat Wim Nieboer psychiater was, vermoed ik. Maar Wim hield zich vooral met het forensisch vraagstuk bezig dat toerekeningingsvatbaarheid heet. En niet met het huwelijk en de perikelen die het kan veroorzaken. Gelukkig maar. Voor Wim zelf. Maar voor iedereen. Want hij had op het gebied van de erotiek, de seksuele moraal in het algemeen, de lustbeleving en de beheersing van de daarbij loskomende ontremmingen vermoedelijk nogal vreemde opvattingen. Dat neem ik tenminste aan. Want zelf sprak ik eigenlijk met Wim daar nooit over. Maar als steile gereformeerde hark zal deze Wim daarover ietwat uitmiddelpuntige gedachten hebben gehad, die in ieder geval niet op de hoogte van zijn tijd waren om het zacht uit te drukken.

Nu waren de moderne visies op evengenoemde zedelijkheidsvraagstukken van die tijd — ik rep nu van de periode 1981-1984 — in Tilburg ook niet in overeenstemming met de algemene katholieke moraal-theologie die ik juist wel goed kende. Die had ik zelf moeten opdoen uit een boek dat “Gaaf Geslachtsleven ” heette van twee dominicaner paters Hornstein en Faller. Die hielden er wel consequente opvattingen over op na, maar die achtte ik toch ook nogal misplaatst in een tijdsgewricht waarin een merkwaardig emancipatoir mensbeeld gangbaar was dat erop neer kwam dat de mens rustig op eigen kracht zich op dit punt kon ontvoogden van allerlei volkomen nodeloze remmingen omdat seks juist heel erg goed was. Voor alles. En bij alles. Vanwege alles. Alles moest kunnen. En het was verboden te verbieden. Daar had ik eindeloze bedenkingen tegen. Ik had in die periode veel te doen met studenten die doctoraal-scripties schreven over de decriminalisering  van pedofilie, de totale vrijgave van pornografie, de begunstiging van seksuele betrekkingen tussen iedere leeftijdsgroep ongeacht de geslachtelijke oriëntatie, óók op de werkvloer, de herdefinitie van het begrip “ontucht” dat achterhaald scheen te zijn en de herredactie van de “ouderlijke macht” op, uiteraard, anti-autoritaire wijze. Daarover waren in de vakgroep kinderrrecht, die voorgezeten werd door een zeer gedreven hoogleraar mevrouw Rood-De Boer opmerkelijke gedachten aan het ontluiken die ik bepaald niet tot de mijne kan maken. Toen niet. En nu niet.

In dergelijke scripties werd ook de gedachte dat alls bij iedereen moest kunnen altijd en overal tot grote hoogte getranscendeerd in het belang van de zelfbestemming van de emancipatoire mens die in wording was. Met veel aplombe, eigenlijk. In een soort ideologische vervoerdheid die destijds in sociaal-democratische kring gangbaar was. En die ook een nieuwe religie aan het worden was. Als een leraar in de Engelse taal daarbij ook wat al te dicht aanleunde bij de ontluikende borstjes van de aan zijn linguïstische zorg toevertrouwde heftig puberende Lolita-pupil, dan moest dat ook gewoon kunnen. En dat vond ik geenszins. Wim al helemaal niet, die wond daar geen doekjes om al is dat in dit verband een wat merkwaardige beeldspraak. Reeds daarom stonden wij als eigenaardige persoonlijkheden bekend aan de bruisende universitaire instelling, die ernaar streefde deze emancipatoire mensbeelden van overheidswege in algemene regelgevingen te fixeren opdat nu eindelijk algemene zaligheid zou neerdalen over de gezellige moerasdelta der Lage Landen. En mocht dat niet meteen bereikbaar zijn, dan toch in ieder geval te Tilburg via de inspanningen van de juridische faculteit aan de Hogeschool- en Warandelaan. Men begréép daar de samenleving helemaal. Dat stond nog niet in blauwe neonletters op het dak. Maar toch was het zo. En wie dat begrip niet opbracht, die moest onschadelijk worden gemaakt. Dat stond overigens ook niet op dat dak.