Tolheffing in de Straat van Hormuz 2026

Hieronder volgt een analyse van de juridische en strategische implicaties van dit scenario.

1. Conflict met UNCLOS: Transitpassage vs. Tolheffing

De Straat van Hormuz valt onder het regime van transitpassage volgens het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) van 1982. Dit houdt in dat schepen het recht hebben op een onbelemmerde en snelle doorvaart.

  • Praaien en visiteren: Onder UNCLOS mag een kuststaat schepen in een internationale straat alleen ophouden of inspecteren onder zeer specifieke voorwaarden (zoals ernstige vervuiling of dreiging van piraterij). Het structureel “praaien” (aanroepen) en visiteren voor tolheffing is hiermee in directe strijd.

  • Vrijheid van de volle zee: Hoewel de Straat van Hormuz uit territoriale wateren bestaat, is het recht op transitpassage een afgeleide van de vrijheid van de volle zee. Het vestigen van een “erfdienstbaarheid” die tolheffing toestaat, zou de Straat feitelijk veranderen in een nationaal kanaal (vergelijkbaar met het Suezkanaal), wat juridisch onhoudbaar is onder de huidige verdragen.

2. De rol van China en de “Angelsaksische” rechtsorde suggereert of lijkt in te houden dat Iran, met steun van China, probeert de huidige orde terzijde te stellen. Er zijn verschillende aanwijzingen die deze hypothese ondersteunen, maar ook belangrijke nuances:

  • Revisionisme: Zowel Iran als China hebben kritiek op de huidige internationale orde, die zij vaak als “Westers” of “Angelsaksisch” bestempelen. Door een eigen juridisch kader (het tien-puntenplan) boven UNCLOS te stellen, creëren zij een precedent voor regionale hegemonie boven universele regels.

  • China als garant: Dat China optreedt als garant is strategisch logisch. Voor China is de Straat van Hormuz de belangrijkste energie-slagader. Door deel uit te maken van een nieuw “garantiestelsel”, verschuift China de rol van bewaker van de zeestraat weg van de Amerikaanse US Navy naar een Euraziatisch blok.

3. Juridische anomalie: Iran en UNCLOS

Het is belangrijk te onthouden dat Iran het UNCLOS-verdrag wel heeft ondertekend, maar nooit heeft geratificeerd. Iran stelt zich op het standpunt dat alleen landen die het verdrag hebben geratificeerd, aanspraak kunnen maken op de voordelen (zoals transitpassage). Dit is een subtiel maar krachtig juridisch instrument waarmee Iran al decennia probeert een regime van “onschuldige doorvaart” (waarbij meer controle is toegestaan) af te dwingen in plaats van transitpassage. Het privilege van het passagium jus innocuï dat Huig de Groot ook zo deerlijk had bepleit ten behoeve van Holland in de zeventiende eeuw.

Conclusie

Het vestigen van een supranationale erfdienstbaarheid buiten UNCLOS om is inderdaad een duidelijke aanwijzing van een poging om de bestaande maritieme rechtsorde te omzeilen. Het vervangt multilaterale universele regels door bilaterale of regionale garanties.

Hoewel China baat heeft bij stabiliteit voor zijn olie-import, heeft het ook belang bij het verzwakken van de Amerikaanse invloed in de regio. Het steunen van een Iraans plan dat de “vrijheid van navigatie” (een kernpunt van de Amerikaanse marine-doctrine) ondermijnt, past perfect in de Chinese langetermijnstrategie om alternatieve machtsstructuren op te bouwen.

Ziet men deze voorgestelde “erfdienstbaarheid” primair als een economisch instrument voor Iran, of eerder als een strategisch middel om militaire controle over de energiemarkt uit te oefenen? Deze vraag is vooralsnog niet goed te beantwoorden al zal een verrassend antwoord gegeven moeten worden bij de komende verkennende betrekkingen waarin deze brandende kwestie wel aan de orde zal moeten komen. Iran was het nimmer eens, dat wist Lawrence of Arabia al ter dege in 1917, met de jurisdictieverdelingen die ten grondslag liggen aan het zo beruchte geheime  Sykes-Picot-verdrag dat Parijs en Londen onderling sloten in 1916 om te komen tot het verdelen van het Midden-Oosten ten aanzien van de Mesopotamische olieaardlagen die zich uitstrekken tot onder de Straat van Hormuz en de Golf van Aden. Het kwam dan ook niet overeen met het beginsel van de vrijheid van de volle zee-beginsel dat de USA-president Wilson destijds wilde nastreven in de komende Vredesregelingen van 1919. Van die vrijheid kwam, gegeven de suprematie van de Angelsaksische maritieme mogendheden dan ook geen barst terecht.