Uitstel invoering Nieuwe Strafvordering

Al decennia lang is sprake van de noodzaak om over te gaan tot een nieuw Wetboek van Strafvordering. Het vorige Wetboek was van 1927. Het reageerde vooral tegen de toepassing van het Napoleontische Strafprocesrecht daterend van 1804. Dat gold niet alleen als wezensvreemd jegens de typische praktijken die in Nederland gebruikelijk waren tot aan 1806. In dat jaar kwam een Koningrijk Holland tot stand.   De Koning was het invalide jongste broertje van Keizer Napoleon I. En deze Koning wilde een bij uitstek humanitair strafprocesrecht invoeren zonder lijfstraffen en doodstraffen. Hij voerde in 1809 een nieuw Wetboek van Strafvordering in. Lang duurde de gelding daarvan niet. https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/lodewijk-napoleon-het-konijn-van-holland-en-het-justitiewezen De Keizer vond het niks. En voerde in dat Holland zijn eigen rigide procesrecht in. Dat bleef eigenlijk tot 1927 gelden. Maar het had overduidelijke mankementen. Het was zelfs in bepaalde opzichten ouderwets. Zeker nadat het Nederlandse strafrecht vooral een ordenende en instrumentele  functie had gekregen in de economische segmenten van de Nederlandse samenleving. Via de wet op de Economische Delicten (hierna ook: WED).  Daarbij kwamen nog de stormachtige ontwikkelingen van de ICT vooral via de digitale snelweg. Ook bij interne bedrijfspolitieke handelingen, gedirigeerd, naar het scheen, binnen het verband van de Europese Economische Gemeenschap (hierna ook: EEG). Dat bleek vooral toen het strafrecht ingezet ging worden, massaal en grootschalig, ter koude sanering van de agrarische nijverheden en de daaraan verbonden collaterale activiteiten via toeleveranciers. Ik denk aan de Interimwetgeving-1983 inzake de meststoffenafvoer, bedoeld om te komen tot een koude sanering van de concentratiegebieden waarbinnen voordien de industrialisering van het veeteelt bedrijf had plaatsgehad, op basis van heftige aandrang die, naar het scheen uit Brussel kwam — wat overigens later een bewust gevoed misverstand bleek. Geleid door de politci. De strafvorderlijke regelingen om de enorme toevoer van strafzaken per concetratiegebied te verwerken bleken volkomen ontoereikend, logistiek en expertise-technisch.

Vooral omdat bij de diverse hoogst gecompliceerde boekhoudingen bij het voorgeschreven bedrijfsverkeer steeds de digitale snelwegen werden bereisd. En bij de daaruit voortvloeiende dossiervormingen kon het Openbaar Mininisterie maar geen gelijke tred houden. Natuurlijk betoogde het daarbij automatisch ook, dat het meer dwangmiddelen tot zijn beschikking moest hebben en meer uitzonderlijke opsporingsmiddelen. Zoals dat Openbaar Ministerie ook placht te doen bij iedere vorm van internationaal georganiseerde cirminaliteit, zoals het massale sextoerisme naar het Verre Oosten, grootschalige werving van minderjarige pornosterren, handel in vrouwen en meisjes, minderjarige jongens en geestelijk onbekwamen of afwijkenden. En natuurlijk de enorme transoceanische transporten van zware drugs en chemische basissubstraten, allemaal via de grotere havenbekkens van Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen. Daarop was dat Wetboek van 1927 niet afgestemd. En ook niet via wijzingen per wetsontwerp af te stemmen. Dus moest er op nationaal niveau een nieuw Wetboek komen. Alle universiteiten mochten nu op dat project inschrijven en bepaalde hoofdstukken en onderwerpen claimen. En dat deden ze graag. Want zo onstonden vanzelf de themata voor dikke proefschriften. En die leverden per faculteit weer flink veel geld op bij volbrachte en voldragen promotie. Het wetsontwerp groeide dus via deze interfacultaire benadering en werd als de spreekwoordelijke kerstboom volgehangen met uiterst modieuze snuisterijen, zo zelfs, dat men door de ballen de boom niet meer kon zien. Het gerechtelijk vooronderzoek bij de rechter-commissaris kreeg nu een veel belangrijkere strekking dan het in de regeling van 1927 ooit had gehad. Zulks vooral met het oog op de concrete bewijsgaring en de rechtmatigheid van de daarbij gebezigde of te bezigen middelen en personeelsinzetten over verschillende staten. Want dat opsporingen steeds meer via gemeenschappelijke onderzoeksteams moesten lopen en dat daaraan bijzondere aandacht moest worden besteed was ook allengs duidelijker.

De vereiste ICT-inbedding van dat alles werd dus ook steeds ingewikkelder, immers transnationaler, en dus risicovoller bij eventuele hackingdreigingen en vervuilingen van de op diverse locaties gelegen clouds. Verder werd steeds prangender de eis dat de advocatuur van de verdachten in een vroeg stadium bij dergelijke bewijsgaringsmethodes werd ingeschakeld ter verzekering van wat men inmiddels de contradictoriteit van de strafvorderlijke procedures was gaan noemen of de eis van tegensprekelijkheid, de mogelijkheid van tegenspraak. Konden advocatuur en Openbaar Ministerie dat eigenlijk allemaal wel aan? Had, om maar eens iets te noemen, de advocatuur wel zicht op het internationale recht dat dan daarbij komt kijken? Strafjuristen waarschuwden. Dat kwam zelfs in de mainstreammedia goed over. En ook dat het antwoord ontkennend was. En dat dat ook gold voor het Openbaar Ministerie. Toch werd het wetboek moeiteloos aanvaard. Als hamerstuk, eigenlijk. Gereed voor het Staatsblad. En toen ging de senaat vragen stellen. Indringend. Kennelijk gealerteerd door pijnpunten aangedragen door praktizijns.  De Eerste Kamer heeft op 14 oktober 2025 het Adviescollege ICT-toetsing (het AcICT) verzocht om in samenhang te oordelen over slagingskans en risico’s van:

de voorbereiding van publieke organen in de strafrechtketen op de IT-aanpassingen die noodzakelijk zijn voor de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, voorzien op 1 april 2029 en de wijze waarop de overkoepelende regie op de invoering wordt gevoerd. Het Adviescollege verzocht om eventuele verbetervoorstellen te doen. Het AcICT heeft naar aanleiding van dit verzoek op 12 mei 2026 een eerste advies aangeboden aan de Eerste Kamer. Die stuurde het aan de Minister.  Het advies bevat de uitkomsten van het verkennende onderzoek dat het AcICT afgelopen periode heeft verricht. Het AcICT komt in het advies tot de conclusie dat de ICT-aanpassingen – met voortzetting van de huidige aanpak – niet op tijd klaar zullen zijn om de beoogde datum van 1 april 2029 te halen voor de inwerkingtreding van het gehele nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het AcICT adviseert om, samen met betrokken organisaties, maatregelen te treffen om de kans te vergroten op het halen van 1 april 2029. Mede naar aanleiding van het advies van het AcICT is het Openbaar Ministerie gekomen tot een actualisering van de beoordeling van de stand van zaken en haalbaarheid van het tijdpad, inclusief herijking van de risico’s, voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, met name ten aanzien van de ICT-aanpassingen. Het College van procureurs-generaal heeft de Minister laten weten, mede gelet op de analyse van het AcICT, niet langer garant te kunnen staan voor een tijdige realisatie van de ICT-opgaven. Zie verder: Kamerstukken I 2025/26, 36 327, F. Ambtelijk proza. Jargon dat nauwelijks begrijpelijk is. Over iets belangrijks.