Die kamer 927 op de negende verdieping van de hoogbouw op de campus werd een soort kennelijk met strobalen af te zetten reservaat voor Wim en mij, het bezwaarlijke en bezwarende vakgroepsbestuur van deze Tilburgse vakgroep strafrechtwetenschappen & criminologie. Want deze twee wereldvreemden vertoefden in een werkelijkheid die in deze maakbare en progressivistische maatschappij die duidelijk op weg was naar het ultieme heil der klassenloze maatschappij geen bestaansrecht mocht hebben, reeds vanwege een fundamenteel kennistheoretisch uitgangspunt; zij geloofden in God, een schepper van hemel en aarde. Dat hadden ze, zij het opeenlopende gronden, ook openlijk en toetsbaar erkend, de een wat pregnanter en hardnekkiger dan de andere, dat is waar. Zij gingen uit van de vrije wil en van het generieke normaliteitspostulaat, dat in zou houden dat ieder normaal mens zich kan houden aan de normen die onderliggend zijn aan strafwetten. En dat zijn daden, opstellingen en gedragingen die met die normen strijden deswege strafwaardig zijn, en met de vergelding moeten begroet die opgesloten is in de opzetteijke leedtoevoeging die een strafbedreiging bij wet in moet houden. Dat hadden deze lieden ook in hun onderscheidenlijke onleesbare en reeds daarom maatschappelijk irrelevante proefschriften uitvoerig betoog, de één onder het citaat van passus uit Calvijns Institutiones en de andere had het aangedurfd om daarbij terug te vallen op de filosofie en moraal theologie van een zekere Thomas van Aquino.

Kortom: daar zou het faculteitsbestuur echt wat aan moeten doen. Als dat bestuur tenminste op de hoogte van zijn tijd wilde blijven. Het zou wel duidelijk zijn dat deze lieden niet konden functioneren als de zo noodzakelijke verbinders tussen de levensfeiteijke werkelijkheid waarin de klassen waren gedetermineerd om hun noodlottige cycli af te lopen tot de door Marx aangekondigde eindstrijd en de steeds duidelijker behoefte aan sosijale verbondenheid die met stoffelijk gedepriveerden steeds van overheidswege gestimuleerd moest worden, zeker wanneer daarvoor aanleiding moest worden gezocht in een daad die bij de strafwet kennelijk verboden was. Want zo’n grensverleggende daad wees er steeds op dat deze stakkers zich niet naar behoren konden verwerkelijken wegens de structuren. Wie dan vroeg welke dat waren, die structuren, die had er nou echt helemaal niets van begrepen. En dat gold al helemaal voor die twee van kamer 927. Je kon daar fraai over de mastbossen uitzien tot aan Alphen en Riel. Dat óók nog. Die tweede hoogleraar voelde deze hartslag der tijden haarfijn aan. Hij beweest dat ook door veel te schrijven over dat grensverleggend gedrag. Dat dat goed was. Ik denk dat hij aan zichzelf dacht en zijn SABENA-stewardes die nog steeds hele korte rokjes droeg al was dat toen die tweede prof voorzitter werd van de vakgroep eigenlijk helemaal niet nodig en zelfs ook wel ongewenst, zeker met netkousen, want dat viel bij nader inzien ook wel erg op. Veel wetenschappelijk personeel raakte er niet op uitgekeken. Dat was ook grensverleggend. Maar niet zoals het moest. Zeker toen deze stewardes professorsvrouw geworden was en eigenlijk binnen was. Er broeide middelerwijl echt wel wat onder de wetenschappelijke medewerkers, mede omdat een nieuw rangenstelsel in de maak was waarbij schaal veertien haalbaar bleek. Die wou iedereen wel hebben en dat zou pas grensverleggend werken. Maar wederom: niert zoals de Frankfuter Schule dat voor ogen had of Rudi Duschke. De studentenleider waaraan iedereen een voorbeeld moest nemen. Gelukkig werd die in die dagen neergeschoten. Dat gaf aan hoezeer de structuren niet deugden. Maar tegen kamer 927 zou zeker mindere geweldpleging wel volstaan. De Wet op de Universitaire Bestuurshervorming was net in werking getreden dus daaraan viel een mouw te passen. Discipline, om de opmars door de instituties voor linksen te borgen. Ik schetse reeds hoe dat uitvoerd werd. Te Tilburg. Maar niet alleen daar. Ik verwijs naar de Blogs hierboven vanaf https://gerardstrijards.nl/nieboer/. Het is, ik geef het toe, geen litteratuur. Noch belletrie. En zelfs niet humoristisch. Dat beoog ik niet. Ik geef een tijdbeeld. Na veertig jaar. Omdat die gebeurtenissen mij op het netvlies staan. Maar onbegrijpelijk blijven.
