De regering te Teheran eist, op basis van de voorovereenkomst om het vuren tijdelijk te staken tussen de USA en Iran met hun geallieerden, op basis van wederkerigheid erkenning van een Iraanse maritieme erfdienstbaarheid over de Straat van Hormuz. En Teheran eist dat van de USA. De uiterlijke verschijningsvorm van deze dienstbaarheid komt neer op de ongehinderde handelsdoorvaart voor de vlaggen die Teheran dat doorvaartrecht wil toestaan, onder zekere voorwaarden, waaronder die van praaiing. Het recht op die doorvaart staat traditioneel bekend als het ius passagii innocuï, het recht van onschendbare voortgezette handelscommerciële doorvaart in wateren die eigenlijk vallen binnen de territoriale competentie van een zeeoeverende staat aan internationaal problematisch water: Het klassieke voorbeeld zijn de zich immer verplaatsen de Wielingen waarvan zowel Nederland als België sedert 1839 de soevereiniteit betwisten bij de vaart op Antwerpen. Het recht komt neer op een zakelijke erfdienstbaarheid, een soort recht van maritiem overpad, al is het nog nooit bevredigend gecodificeerd naar rechtsgrond, strekking en ruimtelijke reikwijdte tot aan de afmering in een havenbekken dat als bestemming is opgegeven bij de aanvang van de doorvaart.

Wel formuleren bepaalde verdragen dat doorvaartrecht als zakelijk privilege en dat schijnt het recht te zijn dat Iran nu voor zich opeist. Wordt het toegestaan in een vredesregeling, dan breekt zulks in op het UNCLOS-Verdrag van 1982. Zou dat zonder instemming van de Charterpartijen kunnen, dan houdt dat een breuk in op het universele zeerecht dat UNCLOS trachtte te codificeren op Angelsaksische uitgangspunten. Het Verdrag van Montreux ging die richting op. Het erkende een doorvaartrecht voor Sowjet-Rusland zolang het zich aan het Volkenbondsstatuut 1920 zou houden. In 1934 was het op aandrang van Frankrijk lid geworden van die Volkenbond dat het bereid was te zien als collectieve veiligheidsorganisatie wegens de dreiging die Hitler-Duitsland inmiddels ontwikkeld had. Het werd op 20 juli 1936 getekend door onder andere Turkije, de Sovjet-Unie, Roemenië, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Japan. Turkije verkreeg de controle over de Bosporus en de Dardanellen. Het verdrag reguleerde tevens de militaire activiteiten in de regio. Het gaf de Turken de volle controle over de straten, maar garandeerde ook de vrije doorgang van koopvaardijschepen in vredestijd. De toegang van militaire schepen van landen die niet aan de Zwarte Zee liggen, werd enorm beperkt. Zo mogen vliegdekschepen de zeestraat niet passeren. Voor het toekomstige Istanboelkanaal zou die beperking niet gelden.
Door het vredesverdrag van Sèvres was in 1919 de hele zeestraat met de beide oevers tot internationaal territorium verklaard en onder toezicht van de Volkenbond geplaatst. Het gezag kwam in handen van een internationale commissie, waarin alle grote mogendheden waren vertegenwoordigd, evenals Griekenland en de landen aan de Zwarte Zee. Turkije kreeg pas een vertegenwoordiger in de commissie toen het in 1932 tot de Volkenbond werd toegelaten. Het verdrag van Montreux gaf Turkije toestemming om de straten terug te militariseren. Het ging in op 9 november 1936. Het is vandaag nog steeds van toepassing behoudens enkele aanpassingen. De Verenigde Staten hebben dit verdrag niet ondertekend. Laten we eens kijken of de vredesregeling met Iran erin deze keer zou kunnen voorzien. Het zou een excessieve uitbreiding kunnen betekenen van de souvereiniteitsrechten van zee-oeverende staten (riperian states). Zoals de Volksrepubliek China. Dat zou via deze ficties die in dat doorvaartrecht liggen verscholen ineens Taiwan binnen zijn territoriale invloedssfeer krijgen geopolitiek gezien. Het zou dus een flagrante breuk opleveren met het zeerecht zoals de Westerse Staten dat opgetuigd hebben met het oog op de Vrijheid van de Volle Zee als common inheritiage of mankind. Men mag veronderstellen dat Nederland dat ook inziet. Maar of die veronderstelling opgeld zou doen waag ik sterk te betwijfelen.
