De kunst van het verzwijgen systemisch in de nieuwe organisatie

Onno van der Veen had mij, evenals ik gezeten op verhuisdozen op de derde verdieping achter de telefooncentrale van het Parket-Generaal, uitvoerig uiteengezet hoe beroerd de verhoudingen waren geweest met de Graaf van Randwijck in zijn sjieke kantoor aan de Prinsengracht van betoverend Amsterdam. Daarbij kwam Onno steeds in barre emotie. Omdat de procureur-generaal eigenlijk nooit luisterde en hem, Onno, maar in zijn eigen sop liet gaar koken. Daarin bekwaam terzijde gestaan door een staf van experts, aangevoerd door een kabinetschef die vooral erop beducht was dat Onno gauw weer oplazerde omdat de Graaf een lunch moest bijwonen in de Groote Industriële Club aan de Dam. Waarbij de Graaf ook nog tafelpraeses was. Terwijl de speech nog niet af was. Onno had in het Haarlemse wel enige assistentie vanwege een drukke vrouwelijke Officier van Justitie die het nog helemaal moest gaan maken, mooie meid overigens met ook korte rokken en lieslaarzen die tot de mannelijke verbeelding spraken, maar toch niet echt bijdroegen aan de defecten van de organisatie die de gecontroleerde aflevering moest uitvoeren van de hierboven besproken massale hoeveelheden drugs. Want Onno had de idee dat deze organisatie systemisch lekte naar alle kanten. Had Onno dat ook verteld aan die Graaf? Neen, daar was de tijd niet voor geweest en bovendien had de Graaf in zulke gevallen slechts gemeenplaatsen voorradig als “bij twijfel niet inhalen”, “handel bestens” en voorts geklaagd dat hij verdomme alles alleen moest doen. Dat herkende ik wel van mijn departementale directeuren die slechts node hun hoofden bij mijn kantoortje om de deur staken teneinde te informeren of ik alles wel onder controle had. En nog voordat ik daarop concies bescheid kon geven was zo’n directeur dan weer vertrokken naar de ministersstaf want daar waren palmares te scoren en bij mij alleen maar moeilijkheden.

Moeilijkheden waarvan ook mijn directeurs-generaal ambtshalve nooit echt kennis wilden nemen en die hen niet verhinderden mijn oplegnota’s direct af te paraferen in de resumptielijn. Het is van alle tijden. Bazen lopen blazend van de andrenalinescheuten in hun afgetraind lijven driftig over de gangen. En hebben nergens tijd voor. Niet voor moeilijkheden inzonderheid. Dus kon ik Onno wel begrijpen, al leidde ik uit zijn hortend relaas wel af dat hij de Graaf niet echt stelselmatig voor het blok had gezet. Dat gaf Onno ook toe, zij het geenszins ruiterlijk. Maar Onno had nooit willen persisteren omdat zulks ook weer nadelig zou blijken te zijn voor zijn loopbaanperspectieven. En zo was dat maar net. En zo is dat nu ook. Want het is van alle eeuwen der eeuwen. Amen. En daarom had ik, gelet op de nauwelijks verborgen wederstrevendheden van de Officieren die Joan de Wijckerslooth kwamen informeren over huh heldendaden meermalen te kennen gegeven dat er heel wat voor hem achtergehouden werd. En net als de Graaf te Amsterdam was de jonkheer met dit bewustzijn bepaald niet geïmpregneerd. Ook hij hoorde graag alleen maar Goed Nieuws. Zoals dat alles op rolletjes liep en dat de organisatie toch maar prima was ingespeeld op de nieuwe verhoudingen met het departement dat onverbeterlijk en betreurenswaardig hardnekkig bleef in de bewering dat de Ministers uiteindelijk de baas was van het Openbaar Ministerie dat dus voor deze bewindspersoon niets mocht achterhouden en geenszins een doofpot mocht koesteren. Kortom: ondanks alle wijzigingen die Piet Hein Donner had aangebracht in de redacties van de Wet op de Rechterlijke Organisatie nopens de verhouding met de Minister via het College van Procureurs-Generaal bleef een basiseuvel van systemische desinformatie van wederzijde – omdat ook het departement liever niet dan wel volledig geïnformeerd wilde blijven bij politiek gevoelige zaken – de slagvaardigheid van het Openbaar Ministerie aardig parten spelen.

De verhouding bleef die van de rechercheur De Cock en hoofdcommissaris Buitendam. Die verhouding bleef herkenbaar in deze relatie, alle hooggestemde verwachtingen ten spijt die in de Memorie van Toelichting over de nieuwe Wet op die Rechterlijke Organisatie ten beste werden gegeven in Bijbelse termen, want dat kon je aan een Donner wel overlaten. De Officier bleef tenlasteleggingen formuleren die stellig tot zeperds moesten leiden en waarvan ook politiek geen gunstige draai te verwachten was en vervolgens ook de verkeerde personen vervolgen terwijl het College via de voorzitter had gewaarschuwd nu eens deze keer niet onderaan te beginnen maar de trap van bovenaf naar beneden te schrobben met schuimende groene zeep en niet met verdunde lodaline.