De transporten en de afstanden tot de Abdij van Egmond in de middeleeuwen

Molen de Korenaer Loosduinen – Foto Stichting Arcadisch Madestein

Het verschil heeft niet zozeer te maken met een gebrek aan infrastructuur of transportafstanden per kar, maar met geologie, de chronologie van de ontginningen en politieke machtscentra in het middeleeuwse graafschap Holland.

Dit is hoe de vork historisch en geografisch echt in de steel zit:

1. De Abdij van Egmond en de kern van het Graafschap

De Abdij van Egmond was in de vroege en hoge middeleeuwen het geestelijke en culturele centrum van het jonge graafschap Holland. De graven van Holland (zoals Dirk II en Dirk III) hadden hier hun machtsbasis. Omdat het noordelijker gelegen herenboeren- en grafelijk gebied kwetsbaarder was voor de oprukkende Zuiderzee en de Noordzee, werd er vanuit dit politieke centrum al vroeg en intensief geïnvesteerd in zware infrastructurele werken (de zogenaamde ‘geduchte kunstwerken’). Het vroege Rijnland profiteerde van deze nabijheid van de grafelijke macht en de vroege organisatiegraad.

2. Geografie en het natuurlijke watersysteem

Het belangrijkste verschil tussen Rijnland enerzijds en Delfland/Schieland anderzijds is de aard van hun waterafvoer:

  • Rijnland: Dit was een gigantisch, complex systeem van onderling verbonden meren en plassen (het Oude Rijn-gebied). Omdat de monding van de Oude Rijn bij Katwijk al in de 12e eeuw verzandde, raakte Rijnland zijn natuurlijke afvoer kwijt. Men móest wel gigantische sluizen en dammen bouwen (zoals bij Spaarndam en Gouda) om het water via andere wegen (het IJ en de Hollandsche IJssel) te lozen. Dit vereiste vroege, grootschalige collectieve organisatie (de basis van het Hoogheemraadschap van Rijnland). Dat alles kun je goed zien vanuit onze eerste aftapplaats, de handelde van onze beurtvaarttocht naar Rotterdam, Grotekerkplein bij de Sint Laurens, de Benedictijner poldercentrale. Je ziet in Rijnland zwaardere dubbele besassingen, overlaten met sluizen die dubbelgesloten kunnen worden, afdammingen en wateroverlaten via bewaarboezems voor alle seizoenen.

  • Delfland en Schieland: Deze gebieden liggen zuidelijker en waterden van nature veel korter en directer af op de Maasmonding (de Merwede/Nieuwe Maas) via veenstromen zoals de Schie en de Rotte. Omdat de afvoerlijnen korter waren en de riviermonding open bleef, waren er in eerste instantie minder complexe, achterliggende kunstwerken nodig. Pas toen de bodem door ontginning begon te dalen, werden ook hier de veenstroompjes afgedamd (de Schiedam, de Rotterdam) – maar dat gebeurde dus later en compacter.

3. Hoe zat het dan met dat transport?

De aanname dat er nauwelijks infrastructuur was klopt voor landwegen, maar in de middeleeuwen was water de snelweg.

Dijktransporten gingen destijds vrijwel nooit over grote afstanden per kar over land. Klei, rijshout (vlechtwerk van wilgentakken) en palen werden per schip (schuiten en pramen) over de talloze binnenwateren, sloten en vlieten vervoerd. Water was overal. Men hoefde dus geen honderden kilometers met zware karren door de modder te zeulen; het transportnetwerk via het water was juist uitstekend, zelfs in de middeleeuwen. Kort samengevat: Het feit dat de waterbouwkundige werken ’teruglopen vanaf de Schie-dam’ heeft te maken met het feit dat Delfland en Schieland een compacter, directer afwateringssysteem op de Maas hadden. Rijnland daarentegen was een gigantische, ingesloten waterwolf die door zijn geologische pech (de verzande Rijnmonding) veel grotere en complexere kunstwerken nodig had om de voeten droog te houden.