Competentieverdeling

Wat is de positie van het ICC jegens het gastland strafmachtstechnisch gezien, wanneer er een redelijke verdenking is ten laste van Khan dat hij handelingen heeft vericht tegen de seksuele integriteit van beambten die aan hem ondergeschikt zijn ingevolge de organisatie van het ICC als supranationale rechtspersoon met strafmacht? In dit geval: vrouwelijke beambten. Wat voor standpunt neemt het ICC jurisdictioneel in op basis van de zetelovereenkomst ex artikel 3 van het Statuut van Rome en de gastlandovereenkomst met uitvoeringsarrangementen? Het is zinvol op dit moment dat het gastland zich daaromtrent nader beraadt, want het is opmerkelijk hoe lang een standpuntbepaling vanwege het ICC uitblijft over de start van de procedure. Is hier een positief jurisdictieconflict gaande, zolang de verdenking geen rechtsingang volgens de complementariteit kan rechtvaardigen of zolang de zaak niet begonnen is als rechtsaanhangige casus? Wat dit laatste betreft, is het betreurenswaardig dat het Statuut niet klip-en-klaar een definitie geeft van het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting begint. Het Statuut spreekt weliswaar in verschillende artikelen over het “commencement of trial” als scharnierpunt in de strafvorderlijke procesvoering: het is een tijdstip waarop alle bewijsmateriaal openlijk kenbaar moet worden gesteld door de rechters aan de procesdeelnemers die het Statuut erkent. Dat geldt dus voor bezwarend materiaal, maar ook voor de rechtvaardigingsgronden, de schulduitsluitingsgronden, de daderschapsuitsluitingsgronden, de strafverlichtingsgronden en de privilegiërende gronden die aan de persoon immanent zijn, zoals bepaalde verschonings- of geheimhoudingsgronden verband houdende met bloed- of aanverwantschappelijke betrekkingen of met enige ideologie of religie. Denk aan het biechtgeheim dat het Vaticaan wilde regelen in de aanhangsels over de bewijsvoering.

Eerste bijeenkomst te Den Haag van de Tax Knowledge Buiding-groep onder leiding van Mr Paul de Haan, tweede van links.

Het valt op dat het gastland ook niet vraagt om een dergelijke positiebepaling jegens allen (erga omnes), geschikt om aanhangig te maken op de vergadering van de ICC-staten, the Assembly of States Parties die in november aanstaande weer in Den Haag bijeenkomt om rekenschap te vragen over het vervolgingsbeleid, de procesvoering en de middelenbesteding door of ten overstaan van ICC. De rechterlijke commissie die zich nog steeds bezighoudt met de verdenkingen ten laste van Khan heeft nog geen beslissing of beschikking erga omnes geslagen. Maar zij wekt de indruk dat het oordeel dienaangaande exclusief aan ICC toekomt. En dat het dus geen zaak is van het gastland. Uit mijn beschouwingen over het territorialiteitsbeginsel volgt, dat ik daarin niet mee zou kunnen gaan. Dan is er nog artikel 8 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht dat gaat over de uitzonderingen op de territoriale heerschappij van de Nederlandse strafwet. Want het ICC heeft alvast doen uitkomen dat de Aanklager immuniteit van strafjurisdictie geniet krachtens het Statuut en de zetelovereenkomst. Dus jurisdictie van de ICC-staten, het gastland incluis, want ook dat erkent de immuniteiten van ICC. Maar alleen voor zover deze betrekking heeft op personen die verdacht worden van de delicten genoemd in de eerder hier besproken artikelen 5 en 70 van het Statuut, als ik mij niet vergis. Dat zijn de delicten gericht tegen de mensheid of menselijkheid en die welke de voortgang van de ICC-rechtspleging ondermijnen of onmogelijk maken, zoals we zagen.  En voorbereidingshandelingen of pogingen tot de aantasting van de seksuele integriteit van onderhebbende ambtenaren als individuen vallen daar niet onder. Het zijn geen delicten tegen de menselijkheid. En ze richten zich niet tegen de ICC-rechtspleging. Al ondermijnen ze die rechtspleging natuurlijk. Want het ICC verliest door dit soort vergrijpen tegen de individuele seksuele integriteit zowat iedere geloofwaardigheid. Ik beklemtoon dat Khan niet de enige topfunctionaris is die zich daaraan schuldig maakt. Dat weet het gastland als geen ander. De immuniteit moet functioneel gegeven zijn, hetgeen impliceert dat de immuniteitsgerechtigde handelingen of gedragingen verrichtte die samenhingen met de waarheidsvinding omtrent dat soort delicten tegen de mensheid of het mensdom en hun toedracht. En voorlopig valt niet in te zien dat dat in deze aan Khan tegengeworpen aantijgingen het geval is. Zolang daar ICC geen standpunt over heeft bepaald, is het gastland bevoegd om op te treden wanneer het een strafvervolging aangewezen zou achten, nu het blootgelegde feitencomplex mede is begaan of voltooid in Nederland. Dat is, blijkens de persberichten die genoemde rechterlijke commissie uitvaardigde, niet het standpunt dat ICC kan billijken of aanvaarden. Het blijft een zaak, aldus die berichten, van ICC en ICC zal daarin beslissen wat de jurisdictiekringen aangaat. Dat lijkt mij een inbreuk op artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht en dat zou het gastland nu eindelijk eens moeten kenbaar maken. Onzekerheid in dit geval lijkt onraadzaam. Ook al omdat het gaat om bewijsmiddelen die nog gecompleteerd moeten worden naar getal en status die ook weer vergankelijk zijn, zoals herinneringen van getuigen aan wie slachtoffers verklaringen hebben afgelegd of schijnen te hebben afgelegd. Deze getuigen hebben feilbare geheugens en kunnen verder heel goed onder ongeoorloofde druk zijn gezet. De pers en de digitale media gewagen daar al van. Nederland heeft hier als gastland een onherleidbare verantwoordelijkheid. Een vervelende bijkomstigheid wellicht toen het wierf om de Legal Capital of the World te huisvesten. Maar een voorzienbare. Omdat de ervaring leerde, dat ook supranationale magistraten hun poten niet thuishouden. Ook in Neurenberg niet. En in Tokio niet. De Nederlandse rechter daar was erom bekend.