Het gevolg van deze inhoudelijke ontstellende divergentie tussen de ICT-matige werkelijkheid van de opgeslagen informatie- en beelddragers binnen de Justitie-keten enerzijds en de inhoud van die dragers naar onderwerp, gevraagde beslissing, politieke gevoeligheid, uitvoeringsproblemen, jurisdictieconflicten en verschuivingen in de bevoegdheden van de veldwerkers was natuurlijk niet aanstonds merkbaar. Degenen die navraag deden naar de opslag-criteria, de onderwerpsgewijze rubriceringen van de oplegnota’s en de bijbehorende beleidsbescheiden waren voorlopig meestal nog wel de stellers van de oorspronkelijke nota, die had geleid tot de bijbehorende vertakkingen in informatiedragers die het uitvoeringsarrangement dat er bij hoorde in kaart brachten en toedeelden aan de verschillende uitvoeringsorganen in de buitendienst, hun agentschappen, expertisecentra, gedeconcentreerde bestuursorganen dire soms zelfs een privaatrechtelijke status hadden gekregen als rechtspersoon. Dat was nu de bureaucratische methode om de politieke verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon zoveel mogelijk te verkleinen in de richting van de Tweede Kamer. Want bij deze reorganisatie was de leus vooral geweest: hou de Minister zoveel mogelijk uit de wind! Zorg dat hij steeds vaker kan betogen dat hij een bepaalde zorgtaak heeft uitbesteed aan een privaatrechtelijke instelling.

Een instelling die autonoom optreedt en die niet bij te sturen is zonder opvallende administratiefrechtelijke ingrepen die vaak wetswijzigingen vooronderstellen. Sluit daarom zoveel mogelijk ook aan bij de Brusselse gewoonten om zorgtaken onherroepelijk uit te besteden aan privaatrechtelijke rechtspersonen die zich óók weer hebben opgesplitst in private stichtingen, doelvermogens of beheersagglomeraties over de hele Europese Unie en zorg dat die Unie zelf steeds meer uitbreidt, territoriaal gesproken. Dan kan de Minister steeds vaker zeggen, dat hij ergens niet over gáát. Dan schrikt de Kamer terug. Ze vraagt niet dóór. Dan blijft een kabinetscrisis uit, ook als blijkt dat aan het uitvoeringstraject door het departement heel weinig is gedaan en dat wat er gedaan is inderdaad niet goed werkt, maar dat Brussel de schuld heeft. Daar deinst de Kamer wel voor terug. Die vraagt dan, wellicht morrend, niet verder. Een versnelling in die afschuiving wordt bewerkstelligd als je deze zorgtaken zó definieert dat ze ook uit winstbejag aantrekkelijk zouden kunnen zijn omdat je de uitvoering ervan op declaratiebasis kunt uitbesteden: het beruchte outsearching of government aan een taskforce gevormd door private agenschappen. Zoals nu gebeurt met het immigratiebeleid aan de Unie via een gemeenschappelijk algemeen wetsbesluit dat de staten van de Unie alleen maar hoeven uit te voeren in faseringen die in dat wetsbesluit dwingend naar protocollen, termijnen, beslismomenten en fictieve weigeringstermijnen worden omschreven. Op basis daarvan kunnen dan de Unie-Staten deze zorgtaken, evenzovele verplichtingen, Europees aanbesteden bij de ondernemingen en ondernemers binnen de gemeenschappelijke rechtsruimte van de Unie. Zij beheren deze taken. Tijdelijk. In opdracht. Zoals de sluitende bewaking van de gemeenschappelijke buitengrenzen. Of de terugleidingspolitiek ten aanzien van illegalen naar hun oorspronkelijke staten van herkomst buiten de Unie.
Je geeft dan deze ondernemers een abstracte bruto gemeenschapsgeldsom en daarvoor moeten ze dan de aangenomen taak maar verrichten, dondert niet hoe. Maar natuurlijk wel binnen de marges van de rechtsstatelijkheid. Wat die marges ook mogen zijn. En wat die rechtsstatelijkheid ook moge voorstellen. Dat merken de lidstaten achteraf wel. Tot hun schrik, deernis en smart. Wat de nationale wetgever dan moet doen is deze uit – en aanbesteding voorzien van een nationale algemeen verbindende regeling in een kaderwet. Die wet komt dan in behandeling bij de Tweede Kamer, nog steeds de volksvertegenwoordiger bij uitstek. En als die deze kaderwet goedkeurt is er een toereikend referentiekader geschapen waarbinnen de aanbestedingen door die volksvertegenwoordinging alsnog onderwerpsgewijs kunnen worden gecontroleerd, vooral op de boekhoudkundige aspecten ervan. De Minister van Justitie had dan geen verantwoording meer voor de concrete uitvoering. Je moest dan steeds zijn bij zijn ambtengoten van Financiën en van Buitenlandse Zaken zolang althans de Unie nog buitenland was en heette. De kreet “Dat moet Europees aan besteed worden!” werd nu steeds vaker gehoord in de departtementale gangen ter hoogte van het koffiezetapparaat, de samenscholingsplaats voor ambtenaren die door dit soort perspectieven toch wel beprangd werden. Want dit ging niet werken. Maar de procesbewaking daarvan, die zat snor. En daar ging het om. Nog steeds. Hou de Minister uit de wind. Dat is het eindoogmerk.
