Nerds in het vooronder

In de negentiger jaren bleek wel dat Justitie niet zo heel goed om wist te gaan met de eigen ICT-omgeving. En dan druk ik mij zwakjes uit. De digitale realiteit rukte omzeggens totalitair op. Niemand kon zich eraan onttrekken. Maar Justitie bleef steeds maar achterop. Het bleef heel lang in het WP-uitrolpatroon hangen. WP was ook in veel opzichten veel en veel beter en veiliger vooral dan Microsoft en liet zich niet makkelijk hacken. En je had die geweldige onderwaterbalk, waarin je precies kon zien wat voor commando’s je had gegeven in de lay out in groter stellig proza, zoals die van een wat uitgebreider wetsontwerp, vooral met meerdere varianten in de operatieve artikelen. We begonnen in WP met een soort langspeelplaten die wat slapjes waren en die steeds uit een gleuf gehaald moesten worden om uitgeprint te worden: er was nog geen integrale doorkoppeling mogelijk van de gegevensdrager naar een printmodus. De langspeelplaten werden allengs wel vervangen door steeds hardere kleine schijfjes, maar een mailomgeving was er nog niet. Met een mogelijkheid om de gegevensdrager via een korte boodschap door te sturen naar de printer. Bij Microsoft was dat allemaal wel mogelijk. Maar opvallend genoeg waren daar de automatische beveiligingen en opslagen aanmerkelijk minder van kwaliteit terwijl de volautomatische doorleiding naar de cloud steeds een vrij mystieke aangelegenheid was naar rubricering, systematiek daarvan en opzoekfuncties. Er kwamen daarom ook centrale ICT-afdelingen voor het beheer van dat soort softwareprogramma’s waar nerds de baas waren. Deze hadden hun eigen systematiek en prioriteitsstellingen waarvan de klanten – de stakeholders – nauwelijks weet hadden. Soms waren er storingen en lag het systeem plat. Dat was dan een soort natuurverschijnsel dat ontzetting baarde zoals de eruptie van de Krakatow in 1883. Geen eenmalige explosie met onherstelbare gevolgen ineens, maar een reeks langdurig na-ijlende schokgolven met tsunami’s die ook de inhoud – content- duchtig verstoorde en de rubriceringen chaotiseerden, voor zover ze nog herleidbaar waren. De nerd kon er iets aan doen. Maar hij bleek dan een volkomen onbegrijpelijke ICT-taal uit te slaan. Veel Engels en veel afkortingen en symbolen die ook weer Sanskriet waren.

 

Bij de reeds besproken reorganisaties waren de competentieverhoudingen van de verschillende directies volkomen verlegd: de leidinggevenden waren met elkaar een strijd op leven en dood aangegaan, beheerst door een koorts van bureaucratisch imperialisme. Wie leiding gaf of voorgaf dat te doen, breidde de bevoegdheidskring enorm uit, als het even kon volkomen unilateraal. Machtsgrepen. Die elkaar opriepen en opvolgden. Men naastte elkaars onderwerpen omdat dat een uitbreiding van de bevoegdheidskring kon impliceren – maar dat kon ook uitlopen op een gigantisch misverstand omdat men de eigen claim zelf niet goed begreep aangezien men het onderwerp cognitief eigenlijk niet machtig was – maar liet ook impopulaire onderwerpen stomweg liggen omdat ze wel spraakmakend waren of konden zijn, maar dan altijd in het negatieve. Zoals het vreemdelingenrecht. Of het oorlogsrecht. Daar zat geen leidinggevende op te wachten. Die leiders wilden scoren en hogere schalen kunnen opeisen en meer ondersteuning, hoe dan ook en wat dan ook. De ICT-ers in hun barre duistere vooronders wisten van dit soort verschuivingen niet af. Ze waren er natuurlijk wel en steeds op hun post, maar volgden een ICT-realiteit volgens de onderwerpen die vóór de reorganisaties gangbaar waren voor de indelingen in beleidssegmenten. En dat waren meestal de indelingen die in de negentiende eeuw hadden geresulteerd in de grotere nationale codificaties, bijvoorbeeld van strafvordering, burgerlijk recht, rechtsvordering, handelsrecht, familierecht en faillissementsrecht. Verdragsonderwerpen werden ook gecatalogiseerd volgens de codificatie-strata. Het Vreemdelingenrecht was in 1847 ontstaan. En daarin was veel verwezen naar de strafvorderingsregelen, vooral omdat het Openbaar Ministerie een veelvoudige toezichthoudende functie had op de vreemdelingenstromen. Het stuurde vaak de vreemdelingendiensten aan, gesecondeerd door de burgemeester als het hoofd plaatselijke politie.

Daarom was het vreemdelingenrecht ingedeeld bij de Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht met één raadsadiseur die geacht werd het steeds complexer wordende terrein te kunnen overzien. In 1937 was dat, door Hitlers beleid ten aanzien van de Joden conform de Neurenberger wetten anders geworden, ook al omdat de sturing op de immigratiegolven politiek gevoeliger werd. In 1948 werd dat nog sterker omdat het IJzeren Gordijn neerdaalde van Stettin in het Balitcum tot het Adriaticum. Maar Justitie bleef vasthouden aan de inbedding alsof het eigenlijk hier een vervreemdende vorm gold van strafvordering, ware het reeds omdat dan zo fraai kon doorverwezen worden naar het procesrecht dat de codificaties op de strafvordering voorzagen, tot en met de Uitleveringswet toe. Bij de reorganisatie uit de negentiger jaren werd ineens uitgevonden dat het hier ging om bestuursecht. Eigenstandig bestuursrecht, zei men meteen haastig daarna. Er kwam nu een nieuwe inbedding naar beleidsdirecties en een nieuwe systematisering van hun competenties naar onderwerp. Dat werd echter niet aan de ICT-nerds dóórgecommuniceerd. En die kwamen nooit uit hun duistere kelderruimten te voorschijn, ook niet bij de voorjaarschoonmaak. Die bleven alle informatie- en gegevensdragerssignalen stomweg opslaan volgens de systematiek van voordien. Van de negentiende eeuw. En daarom kon men in de eenentwintigste in de cloud bijna nooit iets terugvinden. Dat wist de directeur Wetgeving nog niet. Maar daar kwam hij achter. En hij had geleerd van zulk een euvel bij voorraad de schuldige te fixeren. Dat deed hij dus.