Moedig voorwaarts

Niet buitengewoon bemoedigd keerde ik terug naar New York teneinde de onderhandelingen weder aan te vatten met betrekking tot de oprichting van dat internationale Permanente Strafhof. Ik had de directeur deze keer uitdrukkelijk om instructies gevraagd als mandaat bij de te openen zetelonderhandelingen. Omdat hij vond dat ik maar wat deed en nooit terugkoppelde. Maar dat had hij woedend en categorisch geweigerd omdat ik best wist wat de bedoeling was, het was weer eens een streek mijnerzijds om duidelijk te maken dat hij mij eigenlijk niet missen kon. We schrijven nu 1996 en de PrepCom was inderdaad in een volledige versnelling gekomen, ook al omdat Rome had aangeboden de eindonderhandelingen chalereus te doen plaatsvinden in de Eeuwige Stad. De Italianen dongen ook mee naar de zeteling van het Hof, maar niet echt serieus. Dat gaven ze in de beruchten  wandelgangen ook wel toe: ze hadden daarvoor doodeenvoudigweg niet de vereiste infrastructuur, vooral niet ICT-matig. In dit opzicht overspeelde Italië deze keer zijn hand niet, wat overigens vrij uitzonderlijk mocht heten. De penitentiaire voorzieningen die Italië te bieden aan aan het Hof ter executie van de eindgewijsden waren volkomen onder de maat en bovendien was de politieke constellatie voortdurend instabiel, ook dat nog. Zwitserland dong echter ook mee als mogelijk zetelland en dat was, gelet op de Nederlandse ambities te dezen, heel wat gevaarlijker. Het had de gebouwen van de Volkenbond van 1920 in de aanbieding die in ieder geval een ruime en passende accomodatie konden bieden aan de rechtszittingen, terwijl het straftenuitvoerleggingsklimaat behoorlijk genoeg was om te voldoen aan de Minimum Standard Rules die de VN als uitgangspunt wilde blijven hanteren. De infrastructuur te Genève was voorts voorbeeldeloos. Dus hier had Nederland te maken met een minstens gelijkwaardige concurrent. Zie hierboven.

De situatie bleef echter voor Nederland als gastland zorgwekkend. Omdat er zoveel losse einden waren in de financieringsregelingen voor het Permanente Strafhof. Steeds las ik in het ontwerp–Statuut voor het ICC dat Nederland gevraagde diensten, stoffelijke voorzieningen, borgstellingen en garanties voor particuliere tussenkomsten — bijvoorbeeld bij de overbrenging van verdachten, getuigen en deskundigen, slachtoffers, hun bloed- en aanverwanten en nakomende betrekkingen — maar moest voorschieten. Dat had het bij het Joegoslavië-tribunaal al gedaan, waarom dus nu niet? Mijn antwoord was steeds, dat het Joegoslaviëtribunaal een VN-lichaam was. Betaalde het leningen en voorschotten niet uit en terug dan kon Nederland steeds de kosten die het niet elders kon innen, compenseren met zijn aanmerkelijke en soms wel overdreven contributies die het aan de VN deed geworden. Verder waren er rijke staten ook bij de VN aangesloten als volle Charter-partij en die plachten vaak financieel Nederland bij te springen als bijvoorbeeld bewijsgaringsoperaties waanzinnig duur bleken. Dat zou bij het ICC beslist niet het geval zijn. Waarom zou Nederland, uiteindelijk, als enige op moeten draaien voor de aanmerkelijke kosten die het ICC zonder meer impliceerde? Waarom moest het een soort bank van lening zijn voor partijen die hun bijdragen niet tijdig en regelmatig konden ophoesten? Deze vragen maakten mij niet populair. Uiteraard niet. Maar ze moesten gesteld en bevredigend beantwoord worden. En gebeurde dat niet, dat zou Nederland bij de ondertekening van de Final Act op het Statuut reserves maken op de blanco-volmachten die het de griffiers van het Hof leek te gunnen bij voorraad. Ik had de tekst voor deze reserves in verschillende toonzettingen al gemaakt en aan de PrepCom-delegaties voorgelegd. Dat nam Buitenlandse Zaken mij niet in dank af. En dat protesteerde dan via zijn Minister in de Ministerraad bij zijn collega van Justitie, die steevast antwoorde daarvan niets te weten. Alleen Benk Korthals (VVD) gaf aan, dat hij inzag dat deze voorbehouden inderdaad gepast konden zijn. De wereld moest niet denken dat Nederland de Interessen van de Internationale Justitie steeds onvoorwaardelijk ten laste van zijn schatkist zou brengen. Dat berichtte hij wel bij de Secreatris Generaal Borghouts van Justitie. Die gaf het door aan zijn maat, de Heer Directeur van Wetgeving. En die belde mij transatlatisch dan ’s nachts uit bed om briesend zijn ongenoegen te ventileren. Zonder dat hij aangaf wat er dan wel moest gebeuren. Zwitersland had bij mij navraag gedaan. En dus vernomen waarom ik mijn zorgen had over de positie die Nederland innam bij het werven voor de zetelplaats. Dat kon Genève zeer goed begrijpen. En het dong niet meer mee.

Maar de kaarten van de Helvetische Republiek lagen inzoverre voorshands niet goed dat Zwiterland eigenlijk nooit had willen gelden als volledige VN-Charterpartij en steeds genoegen had willen nemen met een subsidiaire waarnemingsstatus in deze supranationale organisatie aan de First Avenue te New York. Washington was niet zeker dat het de Zwitserse regering wel steeds naar believen zou kunnen aansturen als zetelland van het ICC, omdat het nogal eigengereide opinies had over zijn eeuwig durende gewapende neutraliteitsstatus die het in 1815, aan het eind van de Napoleontische slachtpartijen van Groot-Brittannië had weten los te peuteren via Castlereagh op nogal eigenstandige condities, die leken op die van de Kerkelijke Staat die de Paus weer als wereldlijk heerser zou mogen besturen met garanties van derden die deel namen aan de Heilige Alliantie. Zoals, hou je vast, Tsaristisch Rusland, Keizerlijk Oostenrijk en Koninklijk Pruisen. Een onderonsje van monarchen regerend bij de gratie Gods. Wat Washington wilde was een staat die zijn willoos werktuig zou zijn als zetelland van ICC, mocht de nood aan de man komen. Het giste dat Nederland daarbij de beste kaarten kon overleggen als bestendige Transatlantische Partner ook in militaire alliantie-aangelegenheden.

Dat had Washington niet verkeerd gezien. Het was van plan vele militaire expeditionaire operaties buitengaats te starten ter opvulling van het enorme machtsvacuüm dat was ontstaan door de implodering van het Sowjet-Rijk. Waarbij het ICC zou kunnen worden ingezet als een mobiele krijgsraad te velde ten behoeve van het Pentagon. Een tribunaal dus dat er niet over zou piekeren USA-militairen en USA-officials bij vredesoperaties te vervolgen of anderszins in de weg te zitten. Daaraan zou dat Gastland niet alleen niets in de weg mogen leggen, maar het zou er zelfs optimaal moeten meewerken via zijn uitstekende mondiale rechtshulpbetrekkingen en forensische diensten die een internationale renommée bezaten. Buitenlandse Zaken aan de Bezuidenhoutse Weg was van dat verlangen van de USA  geheel op de hoogte en had steeds keurig in de pas gelopen. Het had mij ook flink dwarsgezeten als ik daarbij bedenkingen plaatste, gelet op het absolute neutraliteitsprincipe dat het gastland te allen tijde zou moeten respecteren wanneer het ICC zijn penal enforcement power zou gaan ontplooien, jurisdictioneel gezien. Dat was mij duidelijk en ook dat dit de optiek van het kabinet zou blijven. Dat zou stellig Nederland in conflict gaan brengen met de geopolitieke massieven die zich buiten de Transatlantische gemeenschap zouden gaan ontwikkelen in een multipolaire wereld die aanstaande leek voor wie ogen had om te zien en oren om te horen. China was zich aan het roeren tegen het geprojecteerde ICC-concept. En daarna zouden vele Aziatische staten gaan volgen. Dan moest de schade voor het gastland zoveel mogelijk beperkt blijven omdat de belastingbetaler alle de voorschotten zou moeten kwijten via de aanslagen en heffingen, jaar na jaar, verborgen in de schemerigste posten van de Rijksbegroting. Mij docht dat de instructie daar op zou moeten afgestemd zijn. Maar de directeur deed niets van zich horen. Niet in dit opzicht.