Léér daar nu van!

De nieuwe bazin kwam mij persoonlijk aanzeggen dat ik verregaand buiten mijn boekje was gegaan en dat het zo echt niet langer kon. Ik hield mij nou werkelijk nergens aan. En ik leerder ook nergens van. Terwijl zij haar fillippica’s juist steeds had afgesloten met een afgebeten “Leer daar nu van!” voor ze de deur toekletste. En dat moest afgelopen wezen. Iedereen had begrepen dat deze opdracht door mij geformuleerd maar (nog) niet gegeven echt niet kon en ook de directeur had vastgesteld dat ik echt niet in zijn plaatje paste. Dat was mij inmiddels al lang duidelijk en daaraan zou ook niets meer veranderen. De directeur deed weten dat hij compassie met mij had. Maar dat ik nu naar emplooi elders zou moeten omzien. Want zo hardleers als ik was, dat had deze directeur in zijn lange succesvolle loopbaan nog nooit meegemaakt. En dat wilde heel wat zeggen. De bazin had inmiddels een soort ceremonie van deze soort noodlottorsende mededelingen gemaakt. Want ze was mij al opmerkelijk veel onheil komen aanzeggen. Evenals de Heer Directeur wierp ze de deur wijd open. Ze stapte dan vief recht op mijn bureau af, draaide linksom vanuit mijn perspectief achter mijn bureau en ging op het blad zitten, zodat ze vanuit deze positie op mij neer kon zien. Dan keek ze geruime tijd naar buiten. Daar was niet veel te zien. De Schedeldoekshaven was niet bepaald een tierige buurt. Al was het aanvankelijk voor het binnenvaartpersoneel dat daar placht te verladen en lossen ook een buurt van bordelen geweest, kundig beschreven door Ferdinand Bordewijk die vooral een obsessie had gehad met de bordeelhouders, pooiers, ook wel roffelaars genoemd. Deze personen hadden kennelijk een manier van omgang die Bordewijk zelf ook wel had willen praktiseren. Zowel jegens de klanten als de dame wier lichaam veil werd geboden tegen ieder aannemelijk bod, waartoe het echt niet makkelijk te geraken was, omdat de maatstaven daartoe redelijk fluïde waren. Er waren klanten die jonge meiden verkozen, maar ook die dikke wijven van middelbare leeftijd prefereerden, en dat uit te vinden binnen korte termijn vereiste nog heel wat sociale strategie. Een advocaat was vroeger ook procureur, procesvertegenwoordiger en bemiddelaar voor een advocaat van een ander arrondissement, en zulk een procesbemiddelaar had veel trekken gemeen met de pooier, die in vele talen ook wel procurator of procerature genaamd wordt. In Engeland heet zo’n vent ook wel solicitor en ook die benaming kan wijzen op een juridische aanstelling in rechtsvorderlijke aangelegenheden, zoals in de combinatie solicitor-general, wat bij de continentalen wordt aangeduid als Minister van Justitie en Policie, zoals de beruchte Fouché, de tuchthuisboef die dat ambt tot volle tevredenheid van Keizer Napoleon Buonaparte I uitoefende en het grootkruis van de Orde van het Legioen van Eer had weten te bemachtigen onder Lodewijk XVIII onzaliger nagedachtenis. Deze vorst wist het al: met boeven vangt men boeven.

En het leek mij vaak dat mijn bazin deze aanpak zelf ook niet geheel vreemd was. Ze gold omzeggens als blind ambiiteus. En ging daarbij over lijken.  Zoals dat van de Baron, die ik al memoreerde.  Deze bazin kende geen remmingen. Vieze zaakjes hadden een zekere aantrekkingskracht. Als het spel maar zonder ruchtbaarheid kon worden uitgespeeld. Een zekere borderline-structuur was deze bazin niet vreemd, en dat in combinatie met grenzeloos opportunisme gaf een gistingsmix waaruit een leidinggevende moeiteloos was te dampen zonder dat zulks tot nadenken noopte. Het schuim dat bovendreef en de drank bezoedelde maakte juist de organisatie uitiem kneedbaar. Dat was het nieuwe bestuursconcept binnen de Algemene Bestuursdienst die de boel draaiend hield, zonder bezwaar of remming. Geen reserves. Bij de Heer Directeur zeker niet. Ik zal dat uiteraard nog verder illustreren. In Blogs verderop. Om het spannend te houden. Ik voelde in ieder geval wel aan dat de oude tijden waarin ik nog had weten te gedijen onherroepelijk ten einde waren. De bazin, gevoelig voor het genius op locatie, kwam dat nu ook aanzeggen en zulks niet eens omfloerst. Ik bleek hardnekkig in de zonde. Vooral die van het tegenspreken. Ze hadden er alles aan gedaan, schatte de bazin. Maar er was nu niets meer aan te doen. Ik kreeg nu een jonge trainee mee die mij in New York in de gaten zou houden, ene Bevers, die heel goed wist uit welke hoek de wind woei. Dat zou ik nog ervaren. Dat stond vast. Bevers zou dagelijks rapporteren. Zodat de directie wist wat ik eigenlijk werkelijk uitspookte. En ik zou uiteraard mijn kamer moeten ontruimen op de afdeling, gelet op de overplaatsingen die mij nu op korte termijn zouden geworden. Er zouden verhuisdozen worden beschikbaar gesteld. Deze zouden inhoudelijk worden gecontroleerd en dat zou ook alsnog gelden voor alle openstaande declaraties voor reis- en verblijfskosten.  Met mijn onverantwoorde hoge sprongen was het nu toch definitief gedaan. En het was vermoedelijk tijd dat ik mij tot een psychiater zou gaan wenden. Dat heb ik overigens niet gedaan. En ook dat zou men kunnen opvatten als ambtelijke wederspannigheid, terwijl iedereen het toch zo goed met mij voorhad. Ik besef het. Terwijl woedende gelatenheid mij nu, jaren later, toch weer overmant.