Khan en territorialiteitsbeginsel

Uit de feiten en omstandigheden die de ambtelijke onderzoekscommissie heeft ingesteld in het geval-Khan blijkt dat Khan vooral in Nederland de voorbereidinshandelingen beging en de uitvoeringen van zijn voornemen om geslachtelijk te verkeren met ondergeschikten die hij zwaar onder druk wist te zetten, binnen Den Haag. Dat wil voornamelijk zeggen: in de kantoorgebouwen en op de terreinen die het gastland had verhuurd aan het ICC. Om daar de activiteiten te ontplooien die functioneel noodzakelijk zijn ter activering van de aan het ICC opgedragen rechtsmachtkring. Die kring heeft betrekking op vergrijpen tegen de internationale menselijkheid of mensheid in tijd van gewapend conflict of oorlog. En in het laatste geval pleegt men ook van oorlogsmisdaden te spreken. die kring heeft óók betrekking op het plannen van een aanvalsooorlog en het daartoe opzetten van een samenzwerring of misdadige organisatie, zoals vooral de Duitsers deden vanaf de machtsaanvaarding in februari 1933 door Adolf Hitler. Om deze kring adequaat te kunnen realiseren via vervolgingshandelingen is er een justitieel apparaat nodig, dat makkelijk in staat van onmacht of onvermogen kan worden gebracht of dat bij het uitvoeren van de aan die justitiële afdoening behorende zorgtaken kan worden gefrusteerd of gehinderd. Dat bleek in Neurenberg al meteen, toen Göring zich had weten te herstellen van de toestand van inertie of onverschilligheid voor het tegen hem en zijn kompanen gevoerde strafgeding. Een geestestoestand die Göring had opgelopen door  zware verslavingen aan kalmeringsmiddelen en pijnbestrijders. Hij slite enorme hoeveelheden codeïne op een dag, maar was ook morfinist geworden. in de gevangenis waren deze toxen niet beschikbaar. Göring herstelde in de brutale, arrogante en sluwe klootzak die hij steeds was geweest en waardoor hij bij Hitler grote achting had verworden. Göring begon met een patroon van activiteiten om de waarheidsvinding onmogelijk te maken. En hij zette daartoe zijn medebeschuldigden onder druk. We vinden de opsomming van de delicten die Göring daartoe begin nu in artikel 70 ICCS (ICC-Statuut). We lezen daarin de Angelsaksische varianten van meineed, presenteren van vervalst bewijsmateriaal, het corruptief beïnvloeden van getuigen en deskundigen, het wegmaken of onbruikbaar maken van bewijsmateriaal of het verhinderen van bewijsgaring en uiteindelijk, in de uitvoeringsarrangementen ook het feit van minachting van het hof (Contempt of Court), een feit dat aanvankelijk niet werd toegelaten tot de opsomming van artikel 70 als zijnde excessief vaag en volkomen verbonden met de merkwaardige constitutionele inbedding die het rechtersambt heeft verkregen in het Engeland van de Glorievolle Revolte van 1688.

Dat begrip van minachting van het hof is eigenlijk veeleer jurisprudentieel ontwikkeld in de rechtspraak van de aan het ICC voorgaande Ad Hoc-tribunaals. In de zaak tegen Taylor voor het Sierra Leone-tribunaal ging de rechter ervan uit dat dit feit, contempt of court, stomweg viel onder de omschrijving “persuading the official not to perform or toe inform improperly, his of her duties” zoals nu wat ongelukkig staat omschreven in artikel 70, eerste lid aanhef en sub (a) ICCS. Het is duidelijk dat Khan onder zijn gezag ressorterende vrouwen heeft benaderd op een wijze die hen deed vrezen dat, als ze de imponerende Aanklager niet ter wille waren voor wat betreft seksuele of geslachtelijke omgang, zulks ambtelijke consequenties zou kunnen hebben of stellig krijgen. Dat valt niet onder artikel 70 ICCS. Maar als de feiten die de ambtelijke commissie van de Assembly of States Parties heeft opgesomd ook strafvorderlijk  bewijsbaar zijn leveren ze stellig ook misdrijven tegen de lichameijke integriteit op in de zin van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Ik gad daar later meet gedetailleerd in, want deze zaak zou nu in volle omvang rechtsaanhangig gemaakt moeten worden in Nederland en wel door het Nederlandse Openbaar Ministerie. De feitelijkheden waar deze commissie het over heeft werden in Nederland begaan of mede gepleegd. Dan is artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk. Daarin staat het territorialiteitsbeginsel. Het verklaart de Nederlandse Strafwet toepasselijk “op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan enig strafbaar feit heeft begaan”.

Het heeft een waarborgende werking voor dader, slachtoffer en belanghebbende van of bij die feiten. De wetgever belooft hier dat bewijsbare misdrijven in principe worden afgestraft naar Nederlands recht, ook als het geen klachtdelicten zijn of als aangifte niet vereist is. En verder dat deze feiten niet naar vreemd recht zullen worden berecht of afgedaan. T.J. Noyon beschrift in zijn driedelige serie “Het Wetboek van Strafrecht” vooral in het Eerste Deel, tweede druk, op de pp. 45-49 deze waarborgende werking waaraan de commissie die het Wetboek in de eerste redactie van het öorspronkelijke regeeringsontwerp” (ORO) nogal veel aandacht heeft besteed, omdat deze commissie-de Wal (genoemd naar haar voorzitter De Wal) ervoer dat het Duitse Rijk steefds vaker klakkelooos aannam dat het Duits strafrecht ook  buiten de landsgrenzen stomweg zou kunnen toepasssen. Als de dader of het slachtoffer maar Duits waren. En daat leek die commissie een zeer ongewenste ontwikkeling, omdat Pruisen doende was naar een wereldhegemonie te streven. Nederland was grensland geworden van dat Pruisen. En Bismarck had weinig op het het kleine polderlandje bij de Noorzee. Dat herbergde alleen maar watjes en zonderlingen, halfduitsers.   Enfin, de houding die Trump steeds meer jegens de timide volgelingen van Rutte aan neemt.