De Frans-Duitse oorlog had het machtsevenwicht in Westelijk Europa grotelijks verschoven. Het evenwicht zoals door Whitehall zorgvuldig uit geplust in 1814. Dus nog vóór de Slag bij Waterloo die deed uitkomen hoe verschrikkelijk agressief Frankrijk nog steeds was en bleef. De volkslegers bleken bij één trompetstoot weer mobiliseerbaar onder de betoverende klanken van het slagerslied “De Marseillaise” hoeveel bloedige klop deze legers ook hadden opgelopen bij Bordino en bij Leipzig. Daarom had Whitehall toegelaten dat er een Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden kwam in 1815 als een militaire noordelijke bufferstaat van waaruit vertragingsgevechten konden worden gevoerd als die verdomde Fransen weer op zouden rukken. Daarom had Pruisen zich westelijk van de linker-Rijnoever mogen uitbreiden met Rijnland-Westfalen en de daarachtergelegen bisdommetjes en graafschappen. Pruisen was ineens een grote macht. Maar het bleek ook gevaarlijk: het voerde de ene oorlog na de andere, ook zonder enige provocatie. Tegen Denemarken. Tegen het broedervolk uit Oostenrijk. Op de Balkan. Er was een nieuwe rijkskanselier Otto von Bismarck, die vond dat het Duitse Rijk zich duchtig moest doen gelden en dat dat ook via het strafrecht moest gebeuren, door het primaat van het personaliteitsbeginsel te vestigen bij het uitbrengen van nationale jurisdictieclaims. Overal waar een Duitser was, moest dat Duitse recht gelden, ongeacht of de Duitser slachtoffer van een strafbaar feit was of dader daarvan of daarbij. Nu hadden veel Duitsers zich als ondernemers in Nederland gevestigd. Omdat Bismarcks regime ze helemaal niet beviel. In de Rotterdamse havens lagen steeds meer Duitse schepen. En langs de Maas vestigden zich steeds meer Duitse bedrijven. Die hadden totaal andere opvattingen over handelsgewoonten, koophandelsbescheiden en de commerciële goede trouw bij roerende goederen wat verborgen gebreken betreft. Als dat kon rechtvaardigen om zich op Duits recht te gaan beroepen in Nederland, waar bleef men dan met de faillissementswetten en met de strafbaarheden van handelsbedrog zoals wisselruiterij? En dan had Thorbecke het niet eens over de stoomwetgevingen die in de Duitse landen verschilden van de Nederlandse voorschriften over stoomveiligheidskleppen en noodremvertragingen.

Als dat personaliteitsbeginsel in een nieuw Pruisisch Wetboek van Strafrecht werd doorgevoerd kon Nederland nog wel eens raar opkijken. Dat was al de vrees van Thorbecke bij de redactie van de spoorwegwetten. Hij vond dat Nederland in dit opzicht nu eens flink van zich zou moeten afbijten. In Nederland, zo stelde deze voorbeeldeloze staatsman, gelde Nederlands recht in ieder segment. Bij de opstelling van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht in 1870 vraagt de redactiecommissie-De Wal, die van 1870-1881 de Oorspronkelijke Regeeringsontwerpen daarvan redigeerde, zich dan ook af conform de lijst van nadere vraagpunten geformuleerd in Bijlage VII van de Tilburgse handgeschreven ambtelijke editie van de vergaderingen en ontwerpen van die commissie, of het geraden is de “Grenzen van het gebied der Nederlandsche Strafwet (“Raümliche Anwendbarkeit”) “ in het Algemeen Deel te definiëren. Zie: Notulen I, pp. 101, 102, 103 en 104 en Bijlage VII sub XII a: 1,2,5.Op dat moment dient voor die Commissie het ontwerp van een Strafgesetzbuch voor de Noordduitsche Bond tot uitgangspunt. De commissie besluit eenparig dat dit moet gebeuren en dat zulks geschieden moet door het territorialiteitsbeginsel in dat Deel uit te drukken. En niet in het Wetboek van Strafvordering. Het beginsel bestaat al ingevolge artikel 8 van de wet der Algemeene Bepalingen, overweegt zij, maar kan hier aangepunt op het strafrecht gedefinieerd worden. “Juist omdat art. 8 der Algemene Bepalingen van wetgeving niet gelijk art. 3 Noordduitsche wetb. spreekt van de plaats waar het misdrijf is begaan, maar alleen van de plaats waar de dader zich bevindt, acht de commissie eene positieve bepaling noodzakelijk. De wet bepale: 1e. een misdrijf gepleegd binnen de grenzen van den Nederlandschen Staat, is strafbaar volgens de nederlandschen wet; 2e een misdrijf buiten ’s lands valt niet onder het bereik der Nederlandschen Strafwet.
Dat wordt nu het stelsel van de heerschappij van het Nederlandse stafrecht. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Dat moet dan bij formele wet uitdrukkelijk worden bepaald ingevolge artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht. De uitzonderingen kunnen ook bestaan krachtens het volkerenrecht. Maar dat moet dan in dat recht heel specifiek zijn omschreven en neerkomen op een algemeen aanvaarde gewoonte. Het is verder duidelijk dat de commissie het territorialiteitsbeginsel niet alleen ziet als een instructienorm voor de formele wetgever, maar ook als een waarborgnorm voor de vervolgde, verdachte of anderszins justitiabele. Dezen mogen vertrouwen dat het Nederlandse rechtshandhavingsapparaat zijn strafvorderlijke dwangbevoegdheden alleen maar buitenlands zal aanwenden als daartoe een positieve machtiging bestaat, gegeven bij of krachtens verdrag of bij een gelijkwaardig instrument. De Nederlander of rechtmatig ingezetene van het Koninkrijk mag erop vertrouwen dat hij niet onverhoeds en onvoorzienbaar wordt overvallen met de penal enforcement power van vreemde mogendheden.
