Mijn vader was verzekeringsinspecteur. Van een assurantiemaatschappij die in Gouda gevestigd was. Hij was Hollander. En werd geplaatst in het district Zuid-Oost Brabant, want daar was in Herrijzend Nederland enorm veel te verzekeren vanwege de ontwikkelingen in de agrarische sector die overschakelde op de geïndustrialiseerde teelt van vee in allerlei variaties, maar vooral de varkenshouderijen. Vader zat dus in de “buitendienst”. Dat hield mede in dat er ook een “binnendienst” was. Het kantoor aan het Stationsplein te Gouda. Het hoofd van die dienst was een zekere Belonje. Deze buitendienst kon het nooit vinden met de binnendienst, die de buitendienst geacht werd “aan te sturen” en administratief te controleren. De buitendienst achtte zich superieur aan de binnendienst, want die werd geacht alleen maar geld op te maken. De buitendienst zorgde voor de omzet en de winsten. De binnendienst wist heel zeker dat de buitendienst daarbij de zaak traditioneel belazerde en achtte vooral mijn vader daarbij tot bijna alles in staat. Dat onderlinge vijandbeeld bleek, zo kwam mij later proefondervindelijk duidelijk voor ogen, overigens bestendig eigen aan het assurantiewezen. De inspecteurs sloten de verzekeringen af, stelden de standaardpolissen bij, stelden schades vast en keerden uit en gooiden het daarbij met de klanten op akkoordjes waarvan de buitendienst onkundig werd gehouden. Bij veel schades namen de inspecteurs de beschadigde objecten mee als die nog enige waarde hadden en verpatsten die, daarbij ook de klanten soms flink flessend. Op het Parket-Generaal bleek bij deze tweespalt ook treffend eigen aan het Nederlandse Openbaar Ministerie, waarbij de gespecialiseerde afdelingen van dat Parket te Den Haag de functie hadden van de buitendiensten van het assurantiewezen. Soms lapte Belonje mijn vader erbij bij de directeur Hoppenbrouwers als de arglist de spuigaten uitliep, maar daarbij was de bewijslast voor Belonje niet mals. Want mijn vader haalde heel wat winsten binnen en kreeg steeds meer klanten die hem mochten lijden. En daar moest de verzekeraar het uiteindelijk van hebben. Dat zag de directie van De Goudse goed in.

Bij het directoraat Ontwikkeling en Onderzoek liepen veel rechtseconomen, statistici, psychologen en financiële auditeurs rond. En bijna geen juristen. Dat was destijds een ideetje geweest van Docters van Leeuwen die juist forensische controles, beleidsmodules, administratieve omloopmodellen, rechtspsychologische profileringen en zo op hoge prijs stelde als invalshoeken om sturing te geven aan het steeds maar groeiende beheersapparaat van de arrondissementsdiensten die vooral strafrechtelijk en strafvorderlijk georiënteerd waren. Maar deze experts waren de Officieren beslist niet aangenaam. En hun visitatierapporteringen nog minder. Ik gold als een volkerenrechtelijke vakidioot of hoogstapelaar met mijn waanwijze inzichten over de Nederlandse verdragsposities inzake rechtshulpbetrekkingen en forensische gegevensuitwisselingen ter gelegenheid van de overdracht van strafvervolging, uitlevering, overlevering en erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen. Dat lag voor de hand. Een eerzaam Officier had met dat soort beschouwingen eigenlijk niets te maken. Een Officier als opsporingsambtenaar bij uitnemendheid en dominus litis (dus: soeverein Heer van het Strafgeding) ervoer adviseringen als inbreuken op de competenties van de staande magistratuur. Niet gek, die opvatting, rond de eeuwwisseling. Daarom keek ik er niet van op dat de Arnhemse Officieren in de zaak Eric O. mij geen inzage gunden in het dossier en eigenlijk ook geen vragen wilden beantwoorden. Ik kon niets afdwingen en was dat ook niet van plan. Maar ik moest wel bij terugkeer in Den Haag opgeven dat en waarom ik niet wijzer was geworden, als ik mij deze uitdrukking in deze context mag permitteren.
En dat gold ook als er iets geks gebeurde binnen de procesvoering van de achttien straftribunalen die Den Haag inmiddels was gaan huisvesten en de jurisdictieverhoudingen tussen de Hoofdofficier Den Haag enerzijds en de griffier van zo’n tribunaal die op zijn beurt diensten vorderde waarvan die Officier nooit had gehoord en die hij ongepast achtte. Zoals bij de dood van verdachte ex-president van Servië Slobodán Milosevíc in de VN-afdeling van de Scheveningse Strafgevangenis. Die Officier constateerde dat die dood aanleiding gaf tot autopsie en dat deze gebeurtenis binnen zijn territoriale competenties viel. En wel als (commuun) sterfgeval dat wellicht verdenkingen kon doen ontstaan. Hij handelde dienovereenkomstig. Hij vorderde het lijk op. Liet het Forensisch Laboratorium in Den Haag autopsie verrichten. Liet medisch de doodsoorzaak vaststellen. Constateerde dat geen verdenkingen konden rijzen conform de Nederlandse Strafvordering. Rapporteerde zulks aan de Minister van Justitie. En gaf uiteindelijk het stoffelijk overschot vrij ter lijkbezorging. In casus de familie van Slobodán, mevrouw zijn echtgenote Màrkovíc. Die meteen beweerde dat Slobodán door het gastland en het tribunaal (ICTY , International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia) stomweg om zeep was gebracht. Omdat de VN van hem afwilde. Daar wilde de Haagse Hoofdofficier helemaal buiten blijven. Hij zag dus in het afsterven van Milosevíc een geval dat volgens de gewone Nederlandse regels moest worden afgehandeld. En trok zich (wederom) dus niets aan van gemekker dat deze dood afgehandeld had moeten worden ingevolge uitvoeringsarrangementen met de griffie van het Joegoslaviëtribunaal waarbij dit sterfgeval afgehandeld had moeten worden door het Engelse Home Office omdat dat in VN-verband destijds nu eenmaal was afgesproken wegens mogelijke betrokkenheid van het gastland Nederland bij zulk een afsterven. Want uiteindelijk was dat sterven gebeurd in een Nederlandse gevangenis in de zin van de Penitentiaire Beginselenwet. Mede, wellicht, door doen of nalaten, opzettelijk of grof onachtzaam toerekenbaar aan het gastland. Had Nederland aan de gevangene de vereiste zorg besteed als gastland van dat Tribunaal? Dat was, zo deelde mij de opvolger van Joan, de heer Harm Brouwer, mede, allemaal gelul van een vervelend mannetje dat lekker ingewikkeld wilde doen om zich te doen gelden. Volkomen begrijpelijk. Daaraan was ik inmiddels gewend. Niet van harte. Maar toch. En ik zag de toekomst van mijn veelbelovende Afdeling erg somber in. Daarin had ik gelijk. Maar dat hield ik wel voor mij.
