In West Europa hebben de parlementaire democratieën zich alleen maar vruchtbaar en geloofwaardig naar legitimiteitsaspecten kunnen ontwikkelen wanneer de volksvertegenwoordiging erover kon beschikken dat de bestuurders van het land of rijk ten eerste de geldsmiddelen kregen om de bestuurlijke zorgtaken te realiseren en ten tweede de regering kon wegsturen als deze taken naar het oordeel van het parlement niet naar behoren werden uitgeoefend. Die twee dingen. Zonder toestemming van het parlement geen centen; het parlement kan de regering afzetten of wegsturen. De Europese parlementen hebben deze twee constitutionele rechten op nationaal niveau nog niet zo heel lang. Het Engelse parlement kreeg ze pas ter gelegenheid van de Glorievolle Revolte van 1688, die hierboven al besproken werd. En in Nederland pas in de tweede helft van de negentiende eeuw terwijl het parlement ze eigenlijk zo goed als nooit durfde aan te wenden.

Keizerlijk Duitsland gaf deze twee constitutionele rechten voor wat de defensie en het consulair beleid wel degelijk aan de Rijksdag, het volksvertegenwoordigend parlement dat er pas in de twintiger jaren van de twintigste eeuw gedurende de Weimarer Republiek echt gebruik van dorst te maken. Na 1933 kon de Duitser dat natuurlijk ook weer vergeten. En die schroom is toch in Duitsland bij de Bondsdag echt gebleven. De Europese Unie gunt deze twee rechten niet aan het EU-parlement. De Unie is dus geen democratie. Dat wil ze ook niet zijn. De regeringsleiders, samenwerkend in de Europese Raad, willen er niet van weten. Ze koesteren het. Ze vinden het geen defect. Ook geen weeffout. Ze menen dat de Unie anders niet kan werken. Dat houdt mede in, dat wanneer de lidstaten het democratisch gehalte van een EU-wetsbesluit willen vaststellen ze zulks zullen moeten doen op nationaal niveau. Door referenda. Maar linkse partijen in de Unie willen daar niets van weten. Zij belijden dat de Unie een federatie moet worden met een democratisch defect. Het is een religie.
Het parlementair budgetrecht vormt in Het Westen in ieder geval voorlopig het absolute fundament van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid in een democratische rechtsstaat. Het budgetrecht stelt alleen maar iets voor als de begroting die jaarlijks ter bepaling van het budget wordt opgesteld transparant is en de zorgtaken met de bijbehorende posten heel nauwkeurig omschrijft met de dekkingsparagrafen. Een begroting die wezenlijk onaf is en per zorgtaak steeds weer opnieuw in het lopend boekjaar uit onderhandeld moet worden met een parlementaire meerderheid is dat niet. De huidige rijksbegroting die Jetten heeft losgelaten op de Tweede Kamer lijdt aan deze defecten. Ze is dus ondemocratisch. Zonder de narekenbare bestendige controle over het geld met het voorgenomen bestedingspatroon kan het parlement een minister of bewindspersoon immers niet effectief ter verantwoording roepen. De directe koppeling tussen geld en verantwoording moet artikelsgewijs gelegd kunnen worden en niet via een afzonderlijke toelichting in stellig proza.. Het hierbedoelde budgetrecht houdt vooral in dat de regering geen cent mag uitgeven zonder voorafgaande toestemming van het parlement (via de begrotingswetten). Dit recht versterkt de ministeriële verantwoordelijkheid op drie cruciale manieren:
Geen beleid zonder budget: Een minister kan ambitieuze plannen maken, maar is volledig afhankelijk van het parlement om de benodigde middelen goed te keuren. Keurt het parlement de begroting af, dan strandt het beleid. Dat kan een sturingsmiddel en dwangmiddel: opleveren Het parlement kan amendementen indienen om geld te verschuiven. Hiermee dwingt het ministers om het beleid aan te passen aan de wil van de volksvertegenwoordiging. De ultieme sanctie is duidelijk: als een minister buiten het budgettaire boekje gaat, onrechtmatig geld uitgeeft of informatie achterhoudt, kan het parlement de decharge (kwijting) weigeren of de begroting blokkeren. Dit mondt vaak uit in het activeren van de ministeriële verantwoordelijkheid: de minister moet aftreden (de vertrouwensregel). En de minister kan strafbaar wezen. Dat hoort hij eigenlijk automatisch te zijn. Maar zo ligt het beslist niet in Nederland. Verder staat het budgetrecht onder druk. De volksvertegenwoordiging durft vaak stomweg niet door te tasten omdat ze denkt geen alternatief te hebben. in een twee-partijensysteem met een districtenstelsel is dat doorgaans niet het geval. Maar in een land met moeizaam bijeen geschraapte coalities is soms een coalitie die het vacuüm dat bij een kabinetscrisis ontstaan niet te construeren. De zittende regering weet dat. En maakt daarvan misbruik. Ze zegt: stuur mij maar weg. Wij gaan dan een andere coalitie toch verhinderen. U kunt dan barsten. Jetten geeft aan dat hij dat zal doen.
Hoewel de theorie helder is, waarschuwen staatsrechtgeleerden en parlementariërs al jaren dat de praktijk weerbarstiger is. De controle van het parlement wordt bemoeilijkt door: complexe geldstromen van buitenlandse leningen in vreemde valuta of andere zekerheden. Grote budgetten worden steeds vaker ondergebracht in fondsen buiten de reguliere begroting om (zoals het Klimaatfonds of Defensiefonds), waardoor de directe parlementaire grip verwatert. Verder is sprake van een systemische informatieachterstand bij de volksvertegenwoordiging. Ministers beschikken over een enorm ambtelijk apparaat. Het parlement mist vaak de tijd en expertise om duizenden pagina’s aan begrotingstoelichtingen tot in detail te controleren. Verder is er de nationale verdragspositie die soms innerlijk tegenstrijdig is. Internationale afspraken: veel plichtmatige uitgaven liggen al vast door Europese regels of internationale verdragen, waardoor de feitelijke sturingsruimte van het parlement krimpt. De werking van het Kort Geding of de nota van wijziging binnen de begrotingscyclus werkt soms in hoge mate verstorend. Vooral als een Eerste Kamer of een vergelijkbaar staatsorgaan daardoor een verkapt recht krijgt van wetgevingsiniatief terwijl de grondwet dat juist buiten wil sluiten.
