In de grote handboeken over het Nederlandse staatsrecht lezen we hoezeer de grondwettelijke regeling van de politieke verantwoordelijkheid van een bewindspersoon in het parlement zuiverend heeft gewerkt op het staatshuishoudelijke bestel en de daaraan ten grondslag liggende rechtsbeginselen die Nederland inderdaad een rechtsstaat zouden maken. De bewindspersoon die zijn constitutionele zorgplichten en bevoegdheidskringen zou schenden zou persoonlijk strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Via de procedures die voorondersteld worden in artikel 355 van het Wetboek van Strafrecht waarin het verlenen van ministeriële tegenondertekening van wetsbesluiten die dergelijke schennis zouden legitimeren als apart ambtsmisdrijf wordt strafbaar gesteld. Ik merk nog eens op dat het artikel nog nooit in deze zin gebezigd is.https://gerardstrijards.nl/de-nederlandse-vertaalslag-van-het-stelsel-van-brittanje/ De grotere handboeken bevatten de aantekening dat dat het bewijs is hoe goed de Nederlandse politiek en het daaraan ten grondslag liggend principe van de scheiding van de machten praktisch werkt. En hoe integer die politiek dus wel moet zijn. En hoe blij dat de ingezetenen van het rijk dus daarmee mogen zijn. We zien dat uitgewerkt, bijvoorbeeld, in de laatste drukken van Van der Pot/Donner over het Nederlandse staatsrecht. Ik heb die passus destijds ook nauwkeurig tot mij laten doordringen en deze opgevat als de ultieme bevestiging van de rechtvaardigheid en verdragsmatigheid van ons staatsrechtelijk stelsel. De hoogleraar in Tilburg destijds, toch een maatschappijkritische gast, meldde het ons, studenten, allemaal triomfantelijk en met klem.

Nu, meer dan vijfenveertig jaren later concludeer ik alleen maar hoezeer destijds de regenten die achter dat systeem zaten en die ook vastbesloten waren Thorbecke zijn nek erover te laten breken — hetgeen in 1853 aanstonds lukte, veel was er niet voor nodig — samenzwoeren en samenspanden om dat artikel 355 nooit van stal te halen en ook het Openbaar Ministerie erop te conditioneren daarop nooit ook maar een begin van een gerechtelijk vooronderzoek te laten starten. Dat liet die gedeconcentreerde buitendienst van het departement van Justitie zich graag welgevallen, ook al, omdat de Hoge Raad der Nederlanden destijds, in 1848, meteen heel duidelijk maakte dat het niet wilde optreden als het Hoog College van Staat dat ministers en topambtenaren — destijds was het lijstje vervolgbaren ingevolge artikel 355 Sr veel langer dan nu en omvatte de Indische Regering op Java mede, van directeur tot gouverneur-generaal met de gouverneurs van de gewesten — zou gaan vervolgen, berechten en veroordelen. Omdat de Hoge Raad, zeer terecht, duchtte, dat het dan volkomen gepolitiseerd zou kunnen worden. Daarom bleef de regering ook steeds ten achter met uitvoeringswetgeving waarin het strafprocesrecht zou zijn voorzien dat bij artikel 355 Sr e.v. hoort, los, helemaal los van de Code d’Instruction de procedure criminelle die Keizer Napoléon voor deze gevallen had willen invoeren en waarbij jury-rechtspraak en zeer apart bewijsrecht zou worden geïntroduceerd. Met opvallende bewijsminima en bewijsvergaringsmethodes, gericht op de preservering van de geheimzinninge notie van het “staatsbelang” dat juist dan hoogst ambigue gaat worden, ook weer omdat het halve regentendom deel deelneemt aan dat soort schennis.
De Afdeling Wetgeving van Justitie zorgde dat die daarbij behorende uitvoeringswetgeving er nooit kwam en dat artikel 355 Sr deswege tandeloos bleef. Tot op heden. Zoals ook de bedoeling is. Elk wetsvoorstel dat inderdaad implementabel lijkt op het eerste gezicht wordt getorpedeed nog in de ambtelijke voorfase. Met instemming van de verantwoordelijke bewindspersonen. Zeg niet, dat de parlementaire geschiedenis van art. 355 Sr laat zien dat deze aansprakelijkheden van bewindspersonen met hun ambtelijke noodzakelijke deelnemers niet echt noodzakelijk zijn om de rechtsstaat te tonen die Nederland moet zijn. Thorbecke ervoer aanstonds anders, nog bij het redigeren van het ontwerp Regeeringsreglement voor Nederlandsch Indïe, ondermeer bij de paragrafen die voorzagen in de openbaar geborgde circulatie van munt- en bankbiljetten namens het Rijk in omloop gebracht. Thorbecke dreigde destijds als voorzitter van de ministerraad in de problemen te komen, omdat hij kennelijk beoogde de kopergeldcirculatie uit te besteden aan een ogenschijnlijk private bevriende relatie die daarvoor aanmerkelijke wederdiensten zou betonen. En denk ook aan de oorlogsverklaring die de Gouverneur-Generaal Loudon in 1870 het sultanaat Atjeh deed geworden ter inleiding van de bloederige pacificaties op de noord-kop van Sumatra zonder dat de Staten-Generaal ergens van wisten. En de neutraliteitsgarantie aan Luxemburg in 1867, ook weer zonder dat die Staten ervan wisten. De lintjes-affaire van Abraham Kuyper in 1906-1908. Het bedrog door Simon de Graaf, Minister van Kolonieën in 1921 bij de gunning van een ontginningsmonopolie aan de Koninklijke Shell in de Archipel. Terwijl de Tweede Kamer verzekerd was dat dergelijke monopolies nooit uitgegeven zouden worden om staatsexploitatie mogelijk te maken. Ach, te veel om op te noemen. Ook weer tot op heden. Het komt nog aan de orde.
