Zolang ik ambtenaar was hoorde ik van mijn leidinggevenden nooit méér anders als werkinstructies, strategische persooneelsinzet-richtlijnen en doeldefinities dan de rechtsspreuk (of adagium) “Daar heb ik mijn mensen voor”. Deze leiders waren doorgaans, in den aanvang van mijn werkzame leven, mannen in strak zittende driedelige anthracietgrijze pakken met een ordner ander de geheven rechteronderarm geklemd. Dat veranderde in zoverre dat het eindigde met vrouwen in broekpakken, nog wel met hoge hakken, en ook iets schriller en dwingender sprekend. Ze hadden hun mensen ervoor om “op de werkvloer” nader de doelen te formuleren en zulks vrij ellipitsch in kreten ontleend aan reorganisatiemodellen die “targets” opgaven in een iets andere kleurstelling dan de basiswerkhypothesen die overigens ook vaag bleven en ingevuld moesten worden via reflectiekamers of klankbordgroepen die steeds in het verdokene kennelijk samenkwam als “managementsteams” of MT’s, die waar men stacatto eenlettergrepig Engels uitstiet, liefst ook nog in afkortingen zoals MOMV (Het Openbaar Ministerie Verandert) bijvoorbeeld, dat aan een doffe hondenblaf deed denken maar een levensfeitelijke werkelijkheid weergaf, waarnaar men beter niet kon vragen. Zo kwam men tot opdrachten als “Het Openbaar Mininisterie moet Veranderen, want anders verandert er niets!”. En daar diende men dan duchtig mee in te stemmen. Zo kwam eigenlijk ook de constitutionele regeling tot stand die gold als de statutaire regeling voor het juridisch creatuur dat de Republiek der Zeeven Vereenigde Nederlanden” bleek te zijn in 1609.
De regenten bleken daarvan organen, naar eigen schepping tot leven geroepen.Een wapenstilstand. Met nogal chaotische uitvoeringsarrangementen, hoofdzakelijk van gepolitieke aard. Het Twaalfjarig Bestand. Een regeling om tijdelijk de wapens te strekken. Het luidde een periode in in de Tachtigjarige Oorlog waarin even niet met de Spanjaarden werd gevochten. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de wapenstilstand zou leiden tot een permanente vrede, maar het liep anders. In 1621 werd de gewapende strijd hervat. Het bestand werd gesloten door regenten uit de zeven gewesten die zich zelf benoemd hadden, ook al via contracten van correspondentie die geheim waren. In de achterkamertjes. Aldus werd de toon gezet voor de staatsinrichting van de noordelijke Nederlanden. Die toon hieven de regenten zelf niet aan. Dat zangkoor lieten ze opdraven via die arrangementen, steeds zonder volksraadpleging. En zo zou het altijd blijven. Tot in de eeuwen der eeuwen amen, wat de heer H.A.F.M.O van Mierlo ook die bevolking trachtte diets te maken, want ook hij vroeg niet beter en kon niets anders verdragen. Het Twaalfjarig Bestand (ook wel bekend als het Verdrag van Antwerpen) werd vrij plotseling, als gold het een overval, op 9 april 1609 afgekondigd. Voor de Spanjaarden kwam de wapenstilstand juist op tijd. Want Madrid sloeg lek op de effectieve bezetting die het in de noordelijke Nederlanden zou moeten leggen als met het niet op een akkoordje kon gooien. De Spaanse schatkist bleek leeg te vallen. En de inflatie was super.

Van het zilvergeld dat Spanje bezigde als pasmunt en dat steeds gejat werd door de Hollanders. Zo kon de Habsburgse monarchie in Madrid eindelijk de aandacht kon richten op andere oorlogen in het Rijk. Die tegen de islamieten die overal in westelijk Eurpa oprukten. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was natuurlijk, wat had u dan gedacht, lang niet iedereen blij met het bestand. De Staten van Holland en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt waren echter wel een groot voorstander. Een wapenstilstand kon volgens hen de handelspositie van de Republiek verstevigen en bovendien kon dankzij een bestand tijdelijk flink bezuinigd worden op de defensie-uitgaven. Prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, zag vanuit zijn positie als opperbevelhebber van de strijdkrachten daarentegen veel liever dat de gewapende strijd werd voortgezet. Ook Willem Lodewijk, stadhouder van de gewesten Groningen en Drenthe, was tegen het bestand. Beiden vreesden dat de Spanjaarden tijdens de wapenstilstand hun troepen zouden versterken om daarna genadeloos toe te slaan. Daarnaast was Maurits vermoedelijk ook tegen een bestand omdat hij bij een wapenstilstand een veel minder grote rol kon spelen op het politieke toneel van de jonge Republiek. Maurits wilde geen ambtenaar zijn in Holland. Hij wilde een soort koning worden. Daar zaten de regenten hem bij in de weg. En ook dat zou zo blijven. De regenten waren een soort pissebedden onder een fundamentssteen. Daar moest je niet aankomen, want die pissenbedden konden het daglicht niet verdragen. Dan krioelden ze paniekerig rond in het zonlicht. Gereed voor verttrapping. En ook dat zou voor de Nederlanden zo blijven. Daarom komen rijksbegrotingen ook nooit op tijd af. En zeker niet inzichtelijk met behoorlijke posten die iedereen begrijpen kan.
