Net als het Nederlandse Openbaar Ministerie, dat een strafvorderlijk vervolgingsmonopolie bezit krachtens het Wetboek van Strafrecht, is de Koninklijke Strafvorderingsdienst (CPS,Crown Prosecution Service) een nationaal staatsorgaan dat de strafvordering moet coördineren wanneer een feit een overduidelijk misdrijf is naar common law, dus naar het Britse materiële strafrecht dat geacht wordt het nationale publieke domein te beheersen. Dat strafrecht is deels neergelegd in precedenten, ooit vastgesteld door de rechter en deels zit het in wetsbesluiten waarmee het Parlement heeft ingestemd, de zogeheten Statutes. Het heeft, in tegenstelling tot het Nederlands Openbaar Ministerie géén strafvorderlijk monopolie dat het kan claimen noch kan het autonoom een zekere vervolgingspolitiek ontwikkelen. De Dienst treedt op als sollicitor in advocaten die bewezen hebben het Engelse strafrecht uitmuntend onder de knie te hebben. Een solicitor zoekt uitvoerders, is een soort oliemannetje. De functie heette vroeger “procureur”, de zaakwaarnemer je zorgt dat je wensen adequaat worden uitgevoerd. Zoals vroeger de “roffelaar” die het juiste bordeel voor je uitzocht of de escortdame. De solicitor bemiddelt, krijgt dus provisie en biedt zaken aan, maar kan daarbij condities stellen. Zeker over de tenlastelegging. Dat is de functie van de Service, die men op Het Continent niet kent. En die dus blijvend voor verwarring zorgt, want de solicitor kon vroeger ook juridische opdrachten namens de Kroon uitbesteden, Dickens staat er vol mee in Bleak House in het proces Yarndice versus Yarndice. Ik had er destijds als vertegenwoordiger van de Unie met de status van procesvoorlichter in rechtshulpzaken heel veel moeite mee, omdat de solicitor ook taken blijvend kon verpachten in een arrondissement. De Service kan de aan te nemen procesopstelling superviseren, het bureau kan coördineren, soms kan het aanwijzingen geven in bij wetsbesluit gedefinieerde gevallen en het kan bepaalde advocaten die tegen de regie vanwege de Kroon hebben gezondigd schrappen van het tableau voor Kings Councel (of Queens Council), een zware sanctie die de betrokken rechtsgeleerd raadsman tot een paria kan maken in Engeland en Wales, het rechtsgebied dat de dienst bestrijkt. Het is verder niet zo dat de benoeming tot KC verder leidt tot méér strafvorderlijke competenties dan een advocaat in het adversarial systeem normaliter heeft.

Het hoofd van de dienst is de Director of Public Prosecutions en ook die heeft geen extra strafvorderlijke bevoegdheden, maar wel disciplinaire en tuchtrechtelijke. Hij is verantwoordelijk jegens de Minister van Justitie, zoals deze verantwoordelijk is tegenover de Parlementen. De KC heeft een fraaie dracht en parafernalia, kan een uitzonderlijk tarief hanteren en hoort meestal tot dezelfde sociale strata als de rechters, met wie ze vaak dezelfde public school hebben gegaan. En dat is in Engeland verdomde belangrijk en geeft de betrokkene De Stem van de welopgevoede persoon, diens eigenaardige taaleigen, de manier van staan op recepties met licht achteroverhangende schedel, de zijdelingse blik met oogknipperingen in circulaire draaiingen, de rechterpolsbewegingen met korte stuikingen om aan te geven dat onuitsprekelijke misappreciatie de betrokkene overweldigt en de stotterend uitgestoten bevestiging dat wat de gesprekspartner te berde brengt fascinerend, ja werkelijk fascinerend is, hetgeen metatalig betekent dat deze persoon alleen maar triviale stupiditeiten uitstoot die zelfs de moeite van heroverweging niet waard kunnen zijn. Men is ten hove gepresenteerd, bezoekt uiteraard De Club in Londen waar iedereen hunkerend lid van wil zijn en draagt een bevlekte regimentsdas. Daar wil jij bij horen. Juist ook al ontken je in alle toonaarden dat streven. En daarin zit dan ook de plicht van de zelfstuwende critische zelfreflectie die de KC belet zwaar te zondigen tegen de algemene moraal van de klasse.
De Directeur van de Dienst hoort daar zelden bij. Hij geeft steeds adviezen aan de KC’s in politiek gevoelige zaken en wijst de politie aan welke KC’s door haar uitgekozen mogen worden om een zaak aan te brengen. De Dienst heeft dan eerst bezien of de feiten inderdaad een misdrijf naar common law kunnen opleveren, of ze vallen binnen de rechtsmacht van Engeland en Wales, of er voldoende bewijs is om rechtsingang te rechtvaardigen bij het Crown Court en of dat rechtmatig vergaard is. Dat weet de politie. Zij zorgt dus dat haar procesverbaal van aangifte en verzoek om vervolging dienovereenkomstig is ingericht. Ze geeft ook aan waar de rechtsingang gevonden moet worden—bij de magistrates’ courts of the Crown Courts – en of de zaak niet geheel overgedragen moet worden aan een ander district of aan het buitenland. Want in Engeland heeft het territorialiteitsbeginsel eigenlijk een dwingend primaat, nog sterker dan in Nederland. De verdachte ontleent er een substantiële waarborgnorm aan: hij heeft de garantie dat hij alleen wordt vervolgd als de feiten voltooid zijn in het gebied van ’s Konings vrede. Er bestaat wel extraterritoriale jurisdictie, zeker, maar die moet dan rechtstreeks uit een Statute volgen, een wetsbesluit van beide parlementen. Is aan deze rechtsingangsvoorwaarden niet voldaan, dan geeft de politie aan de Dienst in overweging niet te vervolgen en daarover een beschikking te slaan. Die later weer opzij te zetten, is vrijwel steeds juridisch onmogelijk. En toch heeft Starmer destijds beloofd het daarop niettemin aan te laten komen. In de grooming gang-casus, tenminste.
