De rijksbegrotingswet machtigingswet

Het voorstel van wet om de jaarlijkse rijksbegroting vast te stellen is altijd per definitie een wetsvoorstel van een machtigingswet. De regering vraagt de Tweede Kamer af te zien voor de tijdsduur van één jaar van haar concrete parlementaire budgetrecht en in dit opzicht moeten daarom eventuele moties zijdens die Kamer ook uitgelegd en toegepast worden door de minister die zulks aangaat. Ik breng dat naar voren omdat steeds weer heel afwijzend en superkritisch wordt gereageerd door de oppositionele partijen in een bepaalde kabinetsperiode als een bewindspersoon het heeft over machtigingswetten, omdat die bij begripsbepaling niet zouden stroken met enig parlementair systeem. Dan denkt men natuurlijk vooral aan Hitler en de diverse machtigingswetten die deze politicus volgtijdelijk bleef vragen aan de Rijksdag naar aanleiding van en volgtijdelijk op de door Marinus van der Lubbe  gestichte Rijksdagbrand van februari 1933 waarmee de Rijksdag zich als medewetgever  volledig buiten spel zette in de Duitse staatshuishouding. De parallel slaat nergens op. Ook niet als metafoor. Regeringen moeten steeds om machtigingen vragen als ze aanbestedingen voor geruimere tijd willen doen ter vervulling van een staatstaak. Anders kan de representatieve democratie simpelweg nooit werken. Maar de volksvertegenwoordiging moet dan haar voorwaarden voor dat mandaat duidelijk stellen en ze ook concreet rechtvaardigen, zeker als de machtiging meerdere annuïteiten omvat.

Daarvoor is nodig dat bij de Rijksbegroting het wetsvoorstel dat haar bevat overzichtelijk is naar bestedingsvoorwaarden en naar dekkingen, ook waar die dan precies te vinden zijn, op welke basis en tegen welke prijs. In één deskundige oogopslag moet dat zichtbaar kunnen worden. Dat is niet het geval als de regering geen algeheel dekkingsplan met ramingen biedt, ook niet als ze belooft dat per zorgtaak alsnog via onderhandelingen te doen per departement. Dat stuk is géén rijksbegroting in constitutionele zin. De grondwet zegt verder nauwelijks iets over haar plichtmatige redactie, maar die grondwet impliceert dat contextueel duidelijk al definieert ze niet de bijbehorende soevereine staatstaken en zorgplichten. Dat is jammer, Thorbecke wilde dat anders, maar hij werd al gewipt voordat hij aan zijn Rijksspoorwegwet of Rijkswaterstaatswet kon beginnen. Dat was ook de toeleg van Floris van Hall die Thorbecke kundig uit het zadel wipte voordat hij de regenten in dit opzicht aan handen en voeten had kunnen binden, zoals Thorbecke vast van plan was. Wat de rijksbegroting behoorde te geven was een definitie van de gevraagde machtiging, naar fasering en doelstelling. De rijksbegroting is staatsrechtelijk gezien veel meer dan een financieel overzicht. Het is een mandaatstelling. Een bindende. Het is het centrale instrument waarmee het parlement controle uitoefent op de regering en richting geeft aan het landsbeleid. Dat beleid moet dus ook opgegeven worden. En dat kan niet zonder onderliggende staatshuishoudelijke visie.De staatsrechtelijke betekenis van de rijksbegroting rust deswege op vier belangrijke pijlers.

 Het reeds genoemde  budgetrecht van het parlement is altijd sluitsteen van ieder gemeen overleg dat de regering met haar aangaat. Het budgetrecht is een van de oudste en belangrijkste rechten van de Staten-Generaal (de Eerste en Tweede Kamer). Grondwettelijk is vastgelegd dat de regering geen geld mag uitgeven of belastingen mag heffen zonder voorafgaande toestemming van het parlement. De rijksbegroting is de formele juridische basis hiervoor. Het wetsvoorstel moet dat uitspellen en niet uitstellen, zoals Jetten wil gaan doen. De redactie van de noodzakelijke wetgeving in formele zin behoort dus finaal te zijn en geen tenatieve passus te bevatten. De rijksbegroting bestaat niet uit één enkel document, maar uit een verzameling van afzonderlijke op elkaar naadloos aansluitende begrotingswetsvoorstellen per ministerie. Dit betekent dat:de begroting de reguliere wetgevingsprocedure moet doorlopen. De Tweede Kamer heeft dus het recht van amendement: zij mag wijzigingen aanbrengen in de voorgestelde budgetten om accenten te verleggen. De Eerste Kamer kan de begrotingswetten goedkeuren of verwerpen (recht van uitsluiting), maar mag niet wijzigen. Aldus is er constante politieke verantwoording en controle mogelijk en kan de Tweede Kamer de regering bij de les houden. De aanbieding van de rijksbegroting op Prinsjesdag (de derde dinsdag van september) vormt de start van het parlementaire jaar. Tijdens de daaropvolgende Algemene Politieke Beschouwingen en de behandeling van de departementale begrotingen controleert het parlement de plannen van de regering: Vertrouwensregel: De debatten rondom de begroting zijn bij uitstek het moment waarop de politieke vertrouwensbasis tussen de coalitie en het kabinet op de proef wordt gesteld. Decharge: Aan het einde van de cyclus (het volgende jaar op de dag van de verantwoording, Woensdag Gehaktdag) controleert het parlement via de slotwetten of het geld daadwerkelijk is uitgegeven zoals afgesproken. Er is dus een juridische binding (en uitzonderingen), want er is een resultaatsverbintenis aangegaan op wettelijke grondslag, geen inspanningsverplichting. Een goedgekeurde begrotingswet geeft een minister de bevoegdheid om geld uit te geven, maar verplicht de minister hier niet toe. Mocht een minister gedurende het jaar toch meer geld nodig hebben of budgetten willen verschuiven, dan staat de Comptabiliteitswet dit onder strikte voorwaarden toe, mits het parlement achteraf via een suppletoire begroting alsnog akkoord gaat