Het nieuwe organisatorische bestel waarin het Openbaar Ministerie constitutioneel ingebed en gebakerd zou moeten worden ging van de premisse uit dat het College van Procureurs-Generaal met de daaraan verbonden diensten en directies op afstand van het departement van Justitie een beheer zouden voeren over het vervolgingsapparaat en daarvoor een bestendige bedrijfsvoering zouden ontwikkelen waaronder een generiek vervolgingsbeleid per delictscategorie voor het hele land. Alles onder de politieke veratwoording van de Minister van Justitie. De voorzitter zou dat leiden en zorgen voor een publieke verantwoording ervoor op jaarbasis, gericht tot die Minister van Justitie waarin de beleidsvoornemens zouden worden gedefinieerd. Die voorzitter zou bij intern verschil van inzicht tussen de procureurs-generaal, leden van dat college, een doorslaggevende stem kunnen uitoefenen. Als hij dat zou doen, zou hij van het bestuurlijk gebruik van die bevoegdheid apart verantwoording afleggen jegens die bewindspersoon. Deze Minister zou op wekelijke basis daarover geïnformeerd worden. De Tweede Kamer zou de Minister te allen tijde kunnen ontbieden om die verantwoording toe te lichten naar het verlangen van die Kamer, als volksvertegenwoordiging uiteindelijk het beslissend orgaan voor wie daarbij niets geheim zou mogen blijven. In dit opzicht zouden er geen onvoorwaardelijke staatsgeheimen kunnen bestaan ook niet in verband met de persoonlijke veiligheid of levenssfeer van de bij dergelijke vervolgingsbelissingen betrokken personen: verdachten, getuigen, deskundigen, deelnemers, bloed- en aanverwantschappelijke betrekkingen.

De Minister zou steeds conform artikel 68 van de Grondwet die Kamer desgevallend volledig moeten lnlichten. In de na-oorlogse jaren, terstond na de bijzondere strafrechtspraak tegen hen die in de bezettingsjaren 1940-1945 hadden samengewerkt met de Duitse bezetter en zijn Nederlandse ambtelijk apparaat was er steeds meer twijfel gerezen of het vervolgingsmonopolie dat het Openbaar Ministerie ook hier kon uitoefenen wel adequaat en rechtsstatelijk was uitgeoefend. Waren hier vriendjespolitieke motieven niet primair leidend geweest bij de diverse beslissingen om niet te vervolgen en om eventueel een geldelijke schikking te treffen met buitenvervolgingstelling als oogmerk? Waren destijds niet de grotere industriëlen en ondernemers mede daarom buiten schot gebleven van die bijzondere na-oorlogsche rechtspraak, vooral bij de misdrijven die neer kwamen op “hulp aan den vijand in tijd van oorlog”? Hadden de hooggeplaatsten in den lande verder bij de tot standkoming van deze beslissingen tot sepot of niet-vervolging niet vaak ook hun onderlinge persoonlijke vetes beslecht en wraak genomen voor benadeling van hun clan, familie of dynastie berokkend door een mogelijke hooggeplaatste verdachte? Die vraag was steeds indringender opgekomen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, met als culminatie-punt de beruchte affaire Menten, de zo chalereuze bon vivant en Maecenas te Blaricum die, na achteraf bleek, een uiterst bezwarend oorlogsverleden had gehad en wonderbaarlijk steeds buiten schot was gebleven strafrechtelijk en tuchtrechtelijk bezien: met dat laatste werd dan gedoeld op de zuiverings-tuchtrechtspraak uit het decennium vlak na de bevrijding.
Deze Menten had het wel erg bont gemaakt en zelfs deelgenomen aan oorlogsmisdaden als deelnemer aan het SS-verband dat de Waffen-SS placht te volgen als dat oprukte in vijandelijk te veroveren gebied. Menten had bloed aan de gemanicuurde handen, maar was steeds met rust gelaten, had toch voordeel getrokken uit de Jodenvervolgingen en de Holocaust op grote schaal en was met vooraanstaande politici in voortdurende welwillende betrekking gebleven. Die zaak-Menten had geleid tot de instelling van de Staatscommissie Schöffer en die had dergelijke systemische onrechtvaardigheden al gedeeltelijk kunnen aantonen. Al besloot ze, zoals in Nederland Staatscommissies plegen te doen, dat het vervolgingsbeleid in dat opzicht inderdaad de toets van de kritiek niet kon doorstaan, maar dat daarvoor niemand ambtelijk persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld. Iets dergelijks werd al vermoed na de zo stuntelige vervolgingen, of beter gesteld niet-vervolgingen, inzake de deconfitures van Slavenburgs Rotterdamse Bank waarbij corruptie als bestendige bedrijfspolitiek geredelijk aantoonbaar aan den dag trad maar persoonlijke schuldigen maar nauwelijks te traceren bleken. Tenminste: onder degenen die procuratie hadden bij die politiek en daarmee leiding hadden gegeven of opdracht tot het begaan van valsheden in koophandelsboeken en toonderpapieren met hun corrolaria. Daarop was de RSV-affaire uit de zestiger jaren weer eens onder de loep genomen. Ook daar bleek dat wederom een geijkt patroon. Het raakte de rechtsstaat die Nederland pretendeerde te zijn vol in de hartkamers. En daaraan zou de door Donner voorgeslagen regeling inzake het vervolgings- en sepotbeleid een duchtig einde maken. Want nu zou dat alles transparanter dan transparant worden, blijven en gunstig uitwerken op de samenleving geteisterd door georganiseerde witte boorden-criminaliteit. Daarbij zou, dat ontveinsde zich niemand, de persoon die de voorzitter van het centrale college was, van groot en soms doorslaggevend belang zijn.
