De Wijkerslooth II

Om te bepalen of de Minister van Justitie en Veiligheid inderdaad als “functioneel hoofd” kan worden gezien, moeten we kijken naar de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO).


1. De wettelijke grondslag: Artikel 127 Wet RO

De basis voor de stelling dat de Minister altijd kan ingrijpen ligt in artikel 127 Wet RO. Dit artikel is glashelder over de hiërarchie:

“De Minister kan aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.”

Dit bevestigt dat de Minister inderdaad de politieke verantwoordelijkheid draagt en de hoogste autoriteit is binnen de hiërarchie van het OM. Omdat het OM geen deel uitmaakt van de onafhankelijke rechterlijke macht (in de zin van rechtsprekende ambtenaren), maar valt onder de uitvoerende macht, is deze aanwijzingsbevoegdheid juridisch verankerd.

2. Ad-hoc aanwijzingen in individuele zaken

Maar de vraag is specifieker:  of dit ook geldt voor ad-hoc beslissingen (wel of niet vervolgen) in concrete zaken. Sinds 1999 is dit strikter gereguleerd in artikelen 128 t/m 130 Wet RO:

  • Algemene aanwijzingen: Deze gaan over beleid (bijvoorbeeld: “geef prioriteit aan drugscriminaliteit”).

  • Bijzondere aanwijzingen: De Minister mag inderdaad een aanwijzing geven in een individueel dossier om wel of juist niet te vervolgen.

Echter, hier zijn zware procedurele waarborgen aan verbonden (de ‘lex Donner’). Donner, beproefd raadadviseur bij de afdeling Wetgeving en later Voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had een eigenaardig systeem van checks and balances uitgedokterd in het wetsontwerp dat deze verhouding beslissend moest formuleren en aan de primaat van de politiek recht zou doen:

  1. Advies: De Minister moet eerst advies vragen aan het College van Procureurs-Generaal.

  2. Transparantie: Als de Minister de aanwijzing doorzet (vooral bij een aanwijzing om niet te vervolgen), moet dit schriftelijk en gemotiveerd gebeuren.

  3. Parlementaire controle: De aanwijzing moet ter kennis worden gebracht van de Eerste en Tweede Kamer. Dit is de “nucleaire optie”: de Minister moet zich in het publieke debat verantwoorden voor het direct ingrijpen in de rechtsgang.

3. De nuance: Functioneel hoofd?

Hoewel de Minister politiek verantwoordelijk is, wordt de term “functioneel hoofd” in de praktijk zelden gebruikt. Men spreekt eerder over de ministeriële verantwoordelijkheid.

Het OM geniet een grote mate van operationele onafhankelijkheid. De Minister bemoeit zich in de regel niet met de dagelijkse vervolgingsbeslissingen om de schijn van politieke procesvoering te vermijden. Een Minister die wekelijks ad-hoc aanwijzingen zou geven, zou het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnen en waarschijnlijk snel door de Tweede Kamer naar huis worden gestuurd. Dat was in 2000 het algemene denkkader, het staatsrechtelijke schema dat niet vrij was van abstracties en nogal riekte naar de studeerlamp, want de praktijk is zeer weerbarstig en Ministers kunnen redelijk halsstarrig blijken wanneer niemand het verwacht. Dat zou De Wijkerslooth bemerken. En ook dat hij zich dan geen hemelse raad wist. En wel terstond na zijn aantreden dat ook al een wat ranzige voorgeschiedenis had.


Samenvattend overzicht

Aspect Status Juridische basis
Hiërarchie Minister staat boven het OM Art. 127 Wet RO
Ad-hoc vervolgen Toegestaan (bijzondere aanwijzing) Art. 127 Wet RO
Ad-hoc niet vervolgen Toegestaan, maar zeer zware procedure Art. 128-130 Wet RO
Beperking Moet getoetst worden aan het recht Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Conclusie: Die stelling over de vervolging is juridisch correct. De Minister is de politieke top van de piramide en beschikt over de wettelijke instrumenten om de vervolging in elke specifieke zaak te sturen. Echter, door de verplichte transparantie naar het Parlement toe, fungeert de politieke verantwoording als een krachtig slot op de deur tegen willekeur.