De Wijkerslooth VIII en de opportuniteitstoetsing

In verschillende geruchtmakende strafzaken kon vanaf 1960 de bewering gehoord worden dat het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel klassenjustitie systemisch in de hand werkte. Mede omdat het beginsel steeds vaker zo werd uitgelegd dat het Openbaar Ministerie alleen maar zijn vervolgingsmonopolie mocht aanwenden als daarvoor een positief maatschappelijk belang als rechtvaardigingsgrond kon worden gedefinieerd. Het opportuniteitsbeginsel, zo was de leus, kon alleen vervolgingen dragen als adequate reactie van overheidswege als daardoor  maatschappelijke sturingsbelangen waren aan te wijzen. En dat behoorde het Openbaar Ministerie dan ook eigenlijk bij het aanvangen van een strafzaak heel precies op te geven. Vooral van progressieve zijden werd dat beginsel zo verstaan en toegepast. Daaraan lag ten grondslag dat het Openbaar Ministerie ook altijd bestuursorgaan was bij het toepassen van het beginsel, een soort van gedeconcentreerde buitendienst van de Minister van Justitie en voorts dat de maatschappij volledig maakbaar was naar verschillende maatschappijmodellen. De verdenking wies dat het Openbaar Ministerie de elite anders behandelde dan de ondergelegen sociale strata. Het beginsel diende sociale ongelijkheid en zulks verkapt.

En dat kon in een rechtsstaat waar de Rule of Law zou moeten regeren niet geaccepteerd worden, aldus de Partij van de Arbeid bijvoorbeeld naar aanleiding van de reeds genoemde RSV-affaire, de Menten-affaire en al helemaal naar de Lockheed-affaire waarbij Prins Bernhard zo menige scheve  schaats bleek gereden te hebben, vlijtig gesecondeerd door hooggeplaatsten in den lande, Bernhards beruchte vriendennest met hoge politici daaronder en captains of industry. Opportuniteitsbeginsel en klassenjustitie schenen onderling nauw verbonden in de gangbare Nederlandse achterkamertjescultuur, zoals ook in de zaak tegen Slavenburgs Bank opgeld kon doen: een sociologisch onderbouwde analyse zou dat stellig onderbouwen was de leus. Het leek dus aangewezen om enerzijds dat strafvorderlijk opportuniteitsbeginsel formeel wettelijk te definiëren. En anderzijds dat ook te doen met de hiërarchische verhouding tussen Minister en zijn Openbaar Ministerie. De Minister kon, dat moest nu duidelijk zijn, aanwijzingen en opdrachten geven aan dat Openbaar Ministerie in iedere fase van de opsporing en vervolging. Die konden strekken tot buitenvervolgingstelling en tot vervolging. Natuurlijk was daarvoor de Minister parlementair politiek verantwoordelijk: dat eiste het idee van de democratische rechtsstaat. Nederland wás zo’n staat. Daar twijfelde toen nog niemand aan. Daar heerste de wet. Die iedereen werd geacht te kennen. Hoe ingewikkeld die wet ook was. En die verbood klassenjustitie. En die was er dus ook niet. Dat was iedereen ook duidelijk. Toen nog wel.

Werkt het opportuniteitsbeginsel ter bevordering van klassenjustitie en zijn er ervaringsregelen die dat aannemelijk maken?

Het opportuniteitsbeginsel is een hoeksteen van het Nederlandse en Belgische strafrecht. Het houdt in dat het Openbaar Ministerie (OM) de discretionaire bevoegdheid heeft om te beslissen of een strafbaar feit wel of niet wordt vervolgd. Hoewel dit beginsel bedoeld is voor efficiëntie en maatwerk, is de kritiek dat het bijdraagt aan klassenjustitie een terugkerend thema in de rechtssociologie. Dat dat niet strookt met de idee dat alleen de wet over ons heerst, dat was meteen ook uaxiomatischitgangspunt. En verder dat de strafvorderlijke praktijk daarmee in lijn was. Maar was het echt zo? Die twijfel stak soms de kop op. Want rechtsongelijkheid was er wel. Dat ontkende ook weer niemand. Dat lag echter niet aan de Nederlandse uitwerking van het opportuniteitsprincipe. Dat wist ook weer iedereen heel zeker.

Hieronder volgt een analyse van de werking van dit beginsel in relatie tot ongelijkheid en de bijbehorende ervaringsregelen.


1. Hoe het opportuniteitsbeginsel klassenjustitie kan faciliteren

In theorie is het opportuniteitsbeginsel neutraal: het OM seponeert zaken als vervolging niet in het algemeen belang is. In de praktijk kan dit echter leiden tot ongelijke uitkomsten op basis van sociaaleconomische status:

  • Capaciteit en Schikkingen: Vermogende verdachten of grote bedrijven kunnen zich topadvocaten veroorloven die onderhandelen over een transactie (hoge boete) om vervolging te voorkomen. Hierdoor blijft een strafblad uit, terwijl een minder bedeelde verdachte voor een eenvoudiger vergrijp direct voor de rechter komt.

  • Maatschappelijke Impact: Het OM kan besluiten niet te vervolgen omdat de “persoonlijke omstandigheden” van de verdachte stabiel zijn (baan, gezin, status). Dit bevoordeelt mensen met een sterk sociaal vangnet.

  • Focus op Straatcriminaliteit: Door beleidsprioriteiten ligt de focus vaak op zichtbare criminaliteit (overlast, diefstal). Witteboordencriminaliteit is complexer en duurder om te vervolgen, waardoor het vaker via “opportuniteit” (bijv. een schikking) wordt afgehandeld.


2. Ervaringsregelen die dit aannemelijk maken

In de rechtspsychologie en sociologie worden “ervaringsregelen” gebruikt om patronen in menselijk gedrag en maatschappelijke structuren te duiden. Enkele regelen die wijzen op het risico van klassenjustitie zijn:

A. De regel van de ‘onzichtbare criminaliteit’

Criminaliteit gepleegd door personen met een hoge status vindt vaak plaats binnen gesloten structuren (kantoren, financiële markten). Het OM hanteert hier vaker het opportuniteitsbeginsel omdat de bewijslast zwaar is en de maatschappelijke onrust vaak minder direct voelbaar is dan bij een straatoverval.

B. De ‘Sociale Integratie-regel’

Er bestaat een ervaringsregel dat rechters en officieren van justitie (vaak zelf hoogopgeleid) onbewust meer empathie voelen voor verdachten die een vergelijkbare levensstijl hebben. Een sepot wordt eerder gerechtvaardigd als “vervolging de carrière onherstelbaar zou schaden,” een argument dat zelden opgaat voor iemand aan de onderkant van de samenleving.

C. De regel van de ‘Institutionele Vooringenomenheid’

Handhavingsinstanties neigen ernaar hun middelen in te zetten waar de kans op een snelle veroordeling het grootst is. Dit leidt tot een oververtegenwoordiging van gemarginaliseerde groepen in de statistieken, wat vervolgens weer als rechtvaardiging dient voor intensievere controle bij diezelfde groepen (etnisch profileren).


3. Tegenwicht: Artikel 12 Sv

Om te voorkomen dat het opportuniteitsbeginsel ontaardt in pure willekeur of klassenjustitie, bestaat in Nederland de Artikel 12 Sv-procedure. Hiermee kan een rechtstreeks belanghebbende bij het Gerechtshof afdwingen dat het OM alsnog tot vervolging overgaat.

Conclusie: Het opportuniteitsbeginsel is niet per se bedoeld om klassenjustitie te bevorderen, maar de discretionaire ruimte die het biedt, maakt het systeem wel kwetsbaar voor (onbewuste) vooroordelen en ongelijke machtsverhoudingen.” De “ervaringsregel” is hier dat macht en kapitaal vaak de weg naar de minst belastende juridische uitkomst effenen.” Aan de verschillende Nederlandse rechtsacademies startten gedragswetenschappelijk onderzoek om zulks te onderbouwen en tevens de stelling te verdedigen dat zulks discriminatoir was en maatschappijbevestigend. Het Openbaar Ministerie diende deswege gewantrouwd. En de rechterlijke macht in het algemeen. In Tilburg was men met dat onderzoek rechtssociologisch flink bezig. En datgene wat later de affaire Stapel zou gaan heten was in ontwikkeling, zij het in een schuchtere beginfase. Het liet zien hoe men aan deze zuidelijke instelling van wetenschappelijk onderzoek reeds bijzonder ver was gevorderd met het doorgronden van de samenleving: understanding society, stond er immers, in blauw neonlicht, dat op het dak van de hoogbouw was geplaatst en dat van verre levensreddend wenkte tot op de vierbaans snelweg toe. Zo bleek er een treffende rechtssociologische kant van het debat uitgebaat te kunnen worden via de derde geldstroom.

Dat werd de invalshoek van onderzoeken die de kern raakten van de principiële  rechtssociologische en juridische discussie over de macht van het Openbaar Ministerie (OM). Om te bepalen of het opportuniteitsbeginsel een instrument is voor klassenjustitie, moeten we kijken naar de spanning tussen de theorie van de wet en de praktijk van de handhaving.

Het Opportuniteitsbeginsel: Theorie vs. Risico

In artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering staat dat het OM van vervolging kan afzien op gronden aan het algemeen belang ontleend. In theorie is dit een humanitair filter: het voorkomt dat de staat blindelings iedereen vervolgt voor elk wissewasje (het legaliteitsbeginsel), wat tot onredelijke situaties zou leiden. Het probleem is weer dat dat algemeen belang zo moeilijk wettelijk te fixeren was. Niet in een snedig wetsartikel. Daar leken monografieën voor nodig van honderden bladzijden en die schreven de promovendi dan ook zonder ooit daarop te doctoreren. Dat gebeurde pas toen het te laat was, aan het eind van de twintigste eeuw. Welke belangen dient het strafrecht nu precies? En wie bewaakt dat?  En Hoe? Dat bleef ongeregeld.

De kritiek dat dit leidt tot het legitimeren van klassenjustitie stoelt vaak op de volgende argumenten:

  • Definitie van het ‘Algemeen Belang’: Wie bepaalt wat in het algemeen belang is? Critici stellen dat de invulling hiervan vaak aansluit bij de normen en waarden van de heersende klasse. Schade aan de economie of de reputatie van een groot bedrijf wordt soms zwaarder gewogen dan de individuele schade van een slachtoffer.

  • De Transactie (Afdoening buiten de rechter): De bevoegdheid van het OM om zaken te schikken (bijvoorbeeld bij fraude of witwassen door grote corporaties) wordt vaak gezien als een “afkoop” van strafvervolging die alleen toegankelijk is voor de elite. Terwijl een kleine diefstal voor de rechter komt, wordt een miljoenenfraude soms met een handdruk en een boete afgedaan.

  • Capitulatie voor Complexiteit: De elite maakt gebruik van complexe structuren (juridisch en financieel). Het OM kan besluiten niet te vervolgen omdat een zaak te complex of te duur is, wat feitelijk een vrijbrief kan zijn voor zij die zich dure advocaten en adviseurs kunnen veroorloven.

Tegenargumenten: Waarborgen tegen Klassenjustitie

Hoewel het risico bestaat, kent het Nederlandse systeem mechanismen om deze willekeur tegen te gaan:

  1. De Artikel 12-procedure: Als het OM besluit niet te vervolgen (bijvoorbeeld bij een invloedrijk persoon), kan een rechtstreeks belanghebbende bij het Gerechtshof afdwingen dat er alsnog vervolging plaatsvindt. Dit is een cruciale democratische ‘check’ op het opportuniteitsbeginsel.

  2. Vervolgingsrichtlijnen: Het OM werkt met landelijke richtlijnen om willekeur te minimaliseren en uniformiteit te bevorderen.

  3. Positief Opportunisme: Het beginsel wordt ook gebruikt om kwetsbare groepen te beschermen, bijvoorbeeld door niet te vervolgen wanneer hulpverlening effectiever is dan straf.

Conclusie

Men kan inderdaad betogen dat het vervolgingsmonopolie in combinatie met het opportuniteitsbeginsel de theoretische ruimte biedt voor klassenjustitie. Het geeft het OM namelijk de macht om te bepalen welke maatschappelijke onrust zwaarder weegt. Echter, in de juridische literatuur wordt klassenjustitie meestal niet gezien als een doel of legitimatie van artikel 167, maar eerder als een potentieel disfunctioneel bijeffect. De wetgever heeft het artikel bedoeld als een instrument voor maatwerk en maatschappelijke vrede, maar de ongelijke verdeling van macht en middelen in de samenleving zorgt ervoor dat de toepassing ervan in de praktijk soms een ongelijke uitkomst heeft. Dat was het denkkader. En van daaruit probeerde Den Haag te komen tot herdefiniëring van het beginsel en de hiërarchische verhouding Minister en Officier van Justitie. En het kader daarvan. Allemaal in wetgeving. We zagen het eindresultaat. Artikel 128 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Daarover straks meer.