De Nieuwe Rotterdamse Courant deelt via een groot aantal advertenties onder “Familieberichten” in de uitgave van 25 en 26 april 2025 op de pp. E28 en E 29 mee dat Prof. jhr. mr. Joan Lodewijk de Wijkerslooth de Weerdesteijn is overleden te Luik op 15 april 2026 in de leeftijd van 79 jaren. Hij was oud landsadvocaat, oud-voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, oud-hoogleraar Universiteit Leiden en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Ik heb Joan goed gekend in de tijd dat hij die voorzittersfunctie bekleedde bij het Openbaar Ministerie dat een belangrijke organisatorische verandering had ondergaan als een van de principale staatsorganen, belast met het vervolgen van strafbare feiten binnen de Nederlandse rechtsmacht. Het hanteert daartoe een opportuniteitsbeginsel, dat inhoudt dat de vervolging slechts plaats kan vinden als zulks in het algemeen belang is. En als dat belang dat niet indiceert, die vervolging, dan kan het Openbaar Ministerie van die vervolging voorwaardelijk of onvoorwaardelijk afzien. De oude strafvorderlijke bedeling ingevolge de Wet op de Zamenstelling van de Regterlijke Organisatie en het beleid van de Justitie kende zulk een centrale aansturing via een College van Procureurs-Generaal niet. Niet uitdrukkelijk, al sloot die wetgeving van 1813, nadien vaak veranderd, zulk een college ook niet uit. De praktijk kwam er op neer dat in de vijf territoriale ressorten waarover een Procureur-Generaal was aangesteld als beheerder en gezag van dat Openbaar Ministerie zelfstandig een criminele vervolgingspolitiek werd ontwikkeld. gedifferentieerd bij ressort, waarbij zelfs rekening werd gehouden met de eigenaardigheden van het ressort naar geografische ligging, demografische opbouw, economische activiteiten, religie en zelfs bodemmorfologie — bijvoorbeeld naar rivieren- en bekenloop, bodemsamenstelling en gradiëringen, grondwaterstand en waterstaatkundige ingrepen en kunstwerken — zodat in Brabant extra aandacht kon worden besteed aan smokkelpraktijken in de grensstreken met België, iets, wat in Holland gedurende langere tijd niet echt iets urgents is geweest.

Deze gedifferentieerde benaderingswijze op ressortale grondslag leek na 1990 steeds minder aangewezen gelet op de intensivering van de internationale grensoverschrijdende criminaliteit in georganiseerd verband, en zeker toen daarbij de ICT-communicatie ook nog eens extra dimensies ging geven aan die criminaliteitsontwikkeling bij drugsdelicten en terreuraanslagen vaak met politiek motief. Dan moet u ook denken aan de aanslagen van de Rote Armee-Fraktion of the IRA. En dus niet alleen aan moslimterrorisme. Het departement had daarvoor jaarlijks plannen ontwikkeld, te beginnen met het plan “Samenleving en Criminaliteit” in de tachtiger jaren dat geacht werd zeker een decennium mee te gaan. Hetgeen een misrekening bleek, gelet op allerlei geopolitieke aardverschuivingen, massale immigratiestromen en mensenhandel op nimmer voorziene schaal. Daarom werd centrale aansturing wenselijk geacht door zo’n College dat die plannen zou moeten gaan ontwikkelen waarbij steeds rekening zou moeten worden gehouden met rechtsmachtvraagstukken, samenwerking met andere staten, internationale instituties die zich met die evoluties evenzeer moesten bezighouden, en het optreden van speciaal opgezette gemeenschappelijke opsporingsteams die veel van hun werkzaamheden conform internationaal of buitenlands recht zouden moeten plegen. Bij deze planning op macrostructurele (nationale) schaal zou steeds afstemming moeten plaatsvinden met het departement van Justitie. Dat lag voor de hand, maar ook met Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en andere vakdepartementen. De planning zou altijd vallen onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.
Maar de kwestie was dan steeds wat die inhield en hoe ze tot uitdrukking zou komen in het publieke politieke krachtenveld. In 2000 ging deze nieuwe gecentraliseerde operatie wettelijk volledig voor alle segmenten van de rechtshandhaving van start en daarmee kreeg de voorzitter van het college te maken met de vraag hoe hij zich daarin zou moeten en mogen positioneren, want heel erg duidelijk was de nieuwe wetgeving daarover niet. Het kwam dus op het bordje van De Wijkerslooth. Die kon ten dele een eigen realiteit daaromtrent proberen te scheppen en veel naar zich toe trekken. Dat liet de wetgeving echt wel toe. Maar de vraag bleef, ambtelijk gezien, of dat ook verstandig zou zijn. Want al stond nergens dat de voorzitter steeds na overeenstemming met of met (kennelijke) instemming van de Minister zou moeten plannen en handelen, het lag toch wel voor de hand dat hierbij conflictmodellen niet echt wenselijk konden zijn. Joan had dus nogal wat armslag, niemand wist precies hoe de verhoudingen precies zouden moeten liggen, maar duidelijk was wel dat de minister de voorzitter kon ontslaan en de voorzitter niet de minister. In zekere zin was de wetsgeschiedenis van deze reorganisatie van de rechterlijke macht nogal schimmig, slordig, met losse einden en vaak zelfs innerlijk tegenstrijdig. Een opgelegd pandoeren kwam in dit kaartspel niet voor.
