Het huidige Nederlandse jurisdictiestelsel

Voor strafbare feiten (mede) begaan in Nederland moet Nederland vervolgen en zijn penal enforcement power aanwenden, op het moment dat een redelijke verdenking kan worden geformuleerd die de rechtsverhouding tussen de verdachte enerzijds en de Staat der Nederlanden anderzijds bepaalt. De Staat moet daarbij de waarborgen die de wetten definiëren, invoeren of kennelijk accepteren op basis van de Nederlandse verdragsnormen en die verdragspositie via uitvoeringsarrangementen  respecteren. Het is niet zo, dat Nederland daarbij automatisch optreedt als een soort trustee of zaakwaarnemer van de universele rechtsgemeenschap via zijn grondgebied waar de verdachte zich nu eenmaal (toevalligerwijze) bevindt. Dat kan alleen als daartoe een toereikende volkerenrechtelijke machtiging bestaat. Stelt de Staat de verdachte buiten vervolging, dan mag hij er in beginsel op rekenen dat de Staat niet aan vreemde vervolgingen meewerkt, tenzij er een verdragsbasis is die verplicht tot het tegendeel. Zie onder meer de herleiding van dit stelsel bij A.D. Belinfante en J.M. van Bemmelen, Is het wenselijk, met het oog op de toenemende behartiging van belangen in internationaal verband, die belangen hier te lande strafrechtelijk te beschermen en zo ja, in hoeverre en op welke wijze? Preadvies voor de Nederlandse Juristenvereniging, 88 Handelingen der Nederlandse Juristenvereniging (1985) 231-314, besproken 88 II ibidem 1958 H. Collot d’Éscury, Enige kanttekeningen met betrekking tot de opsporing van strafbare feiten bedoeld in artikel 3 Wetboek van Strafrecht, Tijdschrift voor Strafrecht 68 (1959) 253-265; L. Erades, Artikel 3 van de Wet Algemeene Bepalingen van Wetgeving en het Volkenrecht, 28 Nederlands Juristenblad 1946, pp. 253-265. Zie verder de litteratuur opgegeven door R. van Elst, in het deel Tekst & Commentaar, Deel Internationaal Strafrecht, Uitgeverij Kluwer business ad A.II.a, Wetboek van Strafrecht. Sub 7. Literatuur, waarin een compilatie gegeven wordt van de recentste gangbare litteratuur over het systeem achter de artikelen 2-8 Sr. De artt. zijn regelmatig aangepast op de steeds wijzigende Nederlandse verdragspositie via uitbreidingen van de extraterritoriale rechtsmacht, maar het stelsel en de beginselen die daaraan ten grondslag liggen bleven hetzelfde.

Het territorialiteitsbeginsel kan uitzonderingen lijden. Gebeurt dat, dan moet dat geschieden bij het juridische instrument dat is aangewend met instemming van de formele wetgever, die, overigens, die instemming met terugwerkende kracht kan doen blijken. De volksvertegenwoordiging, onderdeel van de constitutionele wetgever, kan achteraf categorisch instemmen met die terugwerkende kracht. Zij moet dat doen bij uitdrukkelijk wetsbesluit. Een absoluut legaliteitsbeginsel dat zulke kracht zou verbieden bestaat in het interstatelijk rechtshulpverkeer niet.  Zo interpreteerde de Noordduitsche Bond ook haar ontwerp van het territorialiteitsbeginsel. Alleen met instemming van de volksvertegenwoordiging kan een rechtmatig ingezetene onderworpen worden aan buitenlandse strafrechtsmacht. Het territorialiteitsbeginsel waarborgt de rechtmatig ingezetene dat hij alleen te maken heeft met rechtshandhaving van de Nederlandse overheid, zolang hij in Nederland verkeert en op basis verrichtingen die strafbaar zijn,  die hij daar begaat. Ook daarop bestaan uitzonderingen, generieke en specifieke. Maar die moeten dan bij formele wet zijn voorzien.