Haagse reorganisaties 1993

Waarom ik in het begin van 1993 ineens de vreemdelingenrechtportefeuille heb moeten opgeven als raadadviseur zette ik al uiteen in een eerdere reeks Blogs. Zie onder meer:  https://gerardstrijards.nl/schmitz/. Mevrouw de staatssecretaris  Elisabeth Schmitz, die deze portefeuille politiek beheerde voor de sociaal-democraten, destijds verzameld in de Partij van de Arbeid, vond mij veel te voortvarend en te hard in de versobering van het opvangtraject van de nog niet-toegelaten asielzoekers en gelukzoekende vreemdelingen die in Nederland aanlandden via mensensmokkelaars. Ze bleken allemaal documentloos. En daardoor werd hug gedwongen terugleiding na afwijzing van hun verzoek om een verblijfstatus gefrustreerd ook al konden we bij de Europese immigatiediensten feilloos aantonen welke inreisroutes waren gevolgd en wat het land van oorspronkelijke herkomst buiten de Europese Unie was. We hadden nu wel een zeer korte afdoeningsprocedure voorzien met concentratie van rechtsmacht bij een overkoepelende rechtseenheidkamer, we hadden eigenlijk de Algemene Wet Bestuursrecht niet toepasselijk kunnen verklaren in het vreemdelingenrecht met al de daarin verscholen vertragingsmogelijkheden door het stapelen van tegelijkertijd lopende toelatingsaanvragen, we hadden nu een vreemdelingenbewaring en uitzettingsdetentie geregeld in een integrale wijziging van het recht over de toelating en uitzetting van vreemdelingen, maar dat baatte nog steeds niet genoeg. Maar het traject van inreis en tijdelijk verblijf was toch, alles bij elkaar, veel minder aantrekkelijk geworden voor de inreizende vreemdeling. We konden aan de inreiscijfers en de aanvragen om toelating al binnen enkele maanden van 1993 een aanmerkelijke daling zien.

Wat nu nodig was, was een aanzienlijke reductie van de voorliggende stoffelijke voorzieningen in natura voor de niet-toegelaten vreemdeling, de uitsluiting van de vreemdelingen van de collectieve sector die de Nederlandse welvaartsstaat had opgebouwd en een netwerk van verdragsrechtelijk vastgelegde terugnameverplichtingen door de oorspronkelijke staten van herkomst. Want nog steeds werkten de Afrikaanse staten waaruit die illegalen afkomstig waren niet mee, terwijl ze daartoe ingevolge het verdrag nopens de bestrijding van de staatloosheid wel verplicht waren in het verband van de Verenigde Naties. U herkent deze problematiek. Want deze is nog steeds dezelfde. Wat nu nodig was, was op de eerste plaats een naadloze aansluiting van het systeem van de Vreemdelingenverblijfsadministratie op dat van de gemeentelijke basisadministratie, de VAS/GBA-doorkoppeling. Waardoor een vreemdeling die niet toegelaten was verstoken bleef van iedere verstrekking of voorziening ten laste van ’s Rijkskas, middellijk of onmiddellijk,  ongeacht de fase van de toelatingsprocedure. Dus: géén bijstand, hoe ook genaamd, voor de illegaal, geen subsidie hoe dan ook, geen verblijfsfacilitering onder welke verstrekkingenwet dan ook, geen inwisseling van vreemde rijbewijzen, diploma’s, certificaten, geen toelating op onderwijsinstellingen die ze zouden kunnen verstrekken, vervolging van iedere organisatie die dat niettemin toch zou trachten te bewerkstelligen, hoofdelijke aansprakelijkheden voor de terugkeerkosten ten laste van daarbij betrokken ondernemingen en werkgevers. Het veelbesproken en beruchte koppelingsbeginsel. Dat slecht lag bij de Partij van de Arbeid.

Die hardnekkig bleek uit te gaan van een maakbare multiculturele samenleving in elkaar geflanst door cultuurfilosofen en gedragswetenschappers, waarvan de overheid zich steeds meer placht te bedienen. Ik stortte mij dus op een rijksbrede codificatie van dat koppelingsbeginsel. In een tweede tranche van de volledige wijziging van de Vreemdelingenwet-1965. die eigenlijk ook al van dat beginsel uitging. Maar het niet sluitend definieerde. In de Interdepartementale Stuurgroep Immigratie (ISI) zagen alle ambtelijke diensten nu eindelijk wel in, dat dat koppelingsbeginsel dwingend sluitstuk was voor een integrale en geïntegreerde wijziging van het Nederlandse vreemdelingenrecht. Ik kreeg waarachtig de neuzen dezelfde kant op. Dat vond Schmitz niet fijn. Dat was inhumanitair. Dat kon echt niet. Het streed met haar geweten. Ook al stond het in het regeerakkoord. En ook al zat Lubbers, de premier, er als bezeten achteraan. De Secretaris-generaal Algemene Zaken Rein-Jan Hoekstra belde er schier dagelijks over. Maar Schmitz vond dat niks. Niet dat Lubbers er zo achteraan zat, maar dat Algemene Zaken mij aldus sondeerde. Ik ried Schmitz dat dan met Lubbers te bespreken. Want ik begreep dat wel, dat Schmitz dat niet prettig vond. Maar dat vond Schmitz niet op haar weg liggen. Zij eiste dat ik de portefeuille opgaf, want ik dramde bij iedereen maar door. Ze wou mij niet meer zien. En dat regelde Jan Suyver, de secretaris-generaal van Justitie in één handomdraai. Hij zond mij naar New York. Als legal attachee. Dus met de status van diplomaat. Met het begeerde visum in het paspoort. Van en bij de Nederlandse delegatie die zich occupeerde met de oprichting van meerdere straftribunalen zetelend in Den Haag tot herstel van de wereldrechtsorde die de socialisten vooronderstelden. Ik donderde dezelfde dag dus op dertigduizend voet naar New York, Eerste Klasse. Dat wel. Verder ronkte weer eens een gigantische reorganisatie door Justitie. En daar had ik dan verder niks mee te maken. Maar die reorganisatie wel met mij. Dat zou in 1996 weer blijken.