Het keerpunt: Jan Zonderland 1199

De Benedictijnen bedijkten veel wadden en kwelders in Ierland en zetten er een tierig weidelandschap op geschikt voor de veeteelt. Dat deden ze, nadat de Paus in Rome ze naar Ierland had gezonden om te kijken over daar een welige uitvalsbasis kon worden geschapen voor deze Paus, die na 500 steeds meer wereldlijke pretenties kreeg nadat hij had bemerkt dat hij via de Franken militaire doorzettingsmacht  kon krijgen als hij zich maar niet te veel op de voorgrond zou vertonen. De Frankische stamhoofden hadden graag de Benedictijnen van de Paus in dienst, want die waren voortreffelijke ambtenaren en streefden niet naar de vorming van een erfelijke dynastie wegens hun celibaatsverplichtingen. Die Frankische Benedictijnen hadden voeling met hun Ierse collegae, gedreven door dezelfde geopolitieke aspiraties: het winnen van grondgebied voor God. Deze aspiraties werden steeds sterker naarmate het jaar duizend naderde. Men verwachtte dat God dan zou komen om het Laatste Oordeel te vellen over zijn mensheid. Dan ware het verkieselijk dat God zag dat de Benedictijnen nooit eigen gewin hadden nagestreefd.

Neen, ze hadden alleen maar een basis voor het komend Godsrijk willen vestigen, dat zou dan blijken. De Ierse monniken waren daarom te porren de Ierse zee over te steken en zich zuidoostelijk in het mistige eiland Engeland weer toe te leggen op nieuwe polderingen en dijkingen, kanalen en sluizen waarin ze inmiddels meester waren geworden. Ze bleven zich verder toeleggen op de Romeinse manier van administreren van de wingebieden rondom Canterbury. En dat zou ook allemaal goed afgelopen zijn als God maar op tijd was gekomen. Maar die liet tijdelijk verstek gaan. Deze tegenvaller bleek wel overkomelijk, ware het niet dat deze omzichtige geopolitieke aanpak waarbij de Angelsaksen, de Kelten en Franken te maken hadden gekregen met Noormannen die een al te gebiedsdriftige koningsdynastie vestigden in Normandië, van waaruit ze op hun beurt annexaties pleegden in Engeland en Ierland, daarbij het interregionaal bedijkingswerk van de Benedictijnen verstorend. Ze werden ongenood koning van Engeland. En deden niet veel goeds.

 

Dat kon nog verdragen worden, mits de belastingdruk niet waanzinnig hoog werd in hun gebieden. En die druk kwam ook, dat was ongehoord, ten laste van de zittende adeldom van Engeland die zich daarvoor immuun had verklaard. De giechelende, huichelende smiecht Jan zonder Land van Normandië werd onverhoopt koning van Engeland in 1199 en lei zich erop toe bevolking, adel en geestelijkheid te brandschatten waar hij kon. Want hij had veel lekkere wijven nodig, veel luxe en gaf geen zier om staatshuishoudkunde. Maar dat kwam de zittende Paus eigenlijk best uit. Dat was de zevendertigjarige Paus Innocentius III die, voorbereid door de curie, Jan het aanbod deed van onbeperkte langlopende kredieten, mits hij erkende vazal, leenman, te zijn van de Heilige Stoel. Dat was niet aan dovenmansoren gericht. Hij tekende meteen een document waarin hij het gezag van de Paus erkende en ook dat Jan vazal was. Dat veranderde natuurlijk de ambtelijke verhoudingen met de Benedictijnen, wat grote zorg baarde bij genoemde edelen.

Want Jan bleef belastingen heffen en zijn baronnen gijzelen bij de inningen, indien niet in baar geld betaald kon worden. Hij hief ook belastingen over de Benedictijnen en hun sacramentele bedieningen. Dat moest dus heibel opleveren met de Paus. Paus Innocentius III zag dat als een inbreuk op het absolute primaat van het Petrusambt. Hij plaatste Engeland in 1208 onder een interdict, een volledige schorsing van de sacramentele bedieningen en excommuniceerde Jan. Dat konden de edelen niet goed vinden ook al hadden ze de pest aan Jan. Want hun status, hun bevoegdheden en hun fiscaliteiten waren afhankelijk van hun rechtmatigheid en die was weer afhankelijk – dat leerden de Benedictijnen het volk ter dege – van de Paus. Dat interdict moest van tafel. Jan moest weer rechtmatig regeren. Alleen zo waren zijn edelen bevoegd tot belastingheffingen in het koninkrijk dat immers deel moest zijn van de christenheid. Een Koning die overhoop lag met God, dat kon niet.

Maar dan moest Jan wel erkennen, dat hij de edelen niet zou belasten en hun status bleef erkennen. Dat deed hij bij de Magna Charta. Dat is geen grondwet. Maar een rechtsvastellingsovereenkomst tussen Koning en edelen waarin de Koning de status, de immuniteiten en de bevoegdheid om belastbare feiten te definiëren door de edelen, erkent. Het volk kon zich op die overeenkomst niet beroepen. Het volk was er geen partij bij. Toen niet. Dat is pas in 1688 gebeurd, dat dat rechtens kon. De positie van de Benedictijnen was, door de Magna Charta, nog onduidelijker geworden: waren ze nu nog Romeinse beambten en beambten of waren ze van kleur verschoten? Waren ze ’s Konings beambten?  En dus geen sacramentele tovenaars? Dat was niet duidelijk meer. Ze veranderden niet van kleding. Maar hun rechtspositie was nu wel aangetast, ook als rechters. Dus zo geweldig constitutioneel was die Magna Charta niet. Integendeel. Ze belemmerde de doorgroei van het Romeinse recht in Engeland. Zo’n hindernis bestond niet op Het Vasteland. Daar groeide dat Romeinse recht juist steeds verder door. Ook ten behoeve van de burgers. Jan stierf kort nadien aan dysenterie. Een Act of God. Dat was het algemene gevoelen.