Gerechtsdracht II

De gerechtsdracht van de ambtenaren, in West-Europa belast met de bediening van het recht van de burgers is afgeleid van die van de Romeinse rechters en hun assisterende onderzaten, op het moment dat de christenen hun kans schoon zagen en de claim hard gingen maken dat hun staatsideologie in het publieke domein de legitimerende werking zou hebben ter Munting van het gezag dat daaruit voortvloeit en dat een zwaardmachtmonopolie rechtvaardigt. Dat omzwenkingspunt ligt tussen 476 en 559 in. In 476 wordt de puber, die door legioensoldaten is verkozen om keizertje te zijn, Caesarulus Romululus, door zijn eigen lijfwacht van de troon geschopt. De militairen gaan zelf dat gezag en de legitimatie uitoefenen  in hun eigen belang. Ze dossen zich uit als hoge keizerlijke ambtenaren wier kleding en onderscheidingstekenen en waardigheidssymbolen ze overnemen, niet zonder groteske naäperijen. Zoals, bijvoorbeeld, de Surinaamse sergeanten die de staatsgreep uitvoeren onder “Bevel Bouterse” en die zich in schitterende schertsuniformen gaan kleden en met hoge rangen op de schouderpassanten gaan rondparaderen als ze hun moordpartijen die zij daartoe nodig schatten hebben voltrokken in 1982 in Fort Zeelandia. Krom van het goud hampelen ze met elkaar rond onder de blakke zon van Paramaribo. Met de parafernalia die ook zo kenmerkend blijken voor Veldmaarschalk Idi Amin in Oeganda of voor de kolonel Khadaffi die ook de titel van Gods Zoon aanneemt. Omdat ze uiteindelijk veel te kort komen aan substantiële innerlijke legitimatie. De bisschop van Rome ziet het opmerkzaam aan, want hier ligt een kans om in het nu onvermijdelijke machtsvacuüm te springen mits hij en zijn beambten zich matigen bij het voeren van dergelijke parafernalia, want overdrijven is wel een kunst, maar geen die steeds ook navolging verdient. Die bisschop wil wereldlijke macht, zoals de Romeinse keizer en volgt diens hofhouding en ambtenarij dus na, maar net iets gematigder en iets afstandelijker, dus soberder. Hij kiest een belangrijke topambtenaar uit als basismodel. De rondreizende politierechter die op locatie ook standrecht uitoefent ter ordehandhaving vlak achter de noordelijke grenzen, de limes met de Germanen, want daar is de stabiliteit van het staatspapparaat het meest in het directe geding.

Men vindt op deze site in hoofdstuk I.4. van syllabus 29 (Een imitatie van de Romeinse ambtshiërarchie) onder https://gerardstrijards.nl/wp-content/uploads/2025/09/nova-KathGeopolitiek-5-1.pdf de verdere uitleg. De geestelijken die met de Frankische expeditionaire brigades na 550 noordwaarts trekken hebben zoveel mogelijk de kleren van die hogere Romeinse ambtenaren nagevolgd, en wel die van de praetores peregrini, de rondreizende politierechters met rechtsmacht over vreemdelingen die illegaal over de Rijn waren binnengedrongen in het Franse Rijk van de Carolingers en hun voorgangers, de Pipiniden. En dat doet de brigade van expeditionaire Benedictijnen die uit Ierald naar Het Vastland terugkeren, na een barre tocht via de Middellandse Zee vanuit de haven van Rome ook. Deze Benedictijnen zijn allemaal buitengewoon getraind op taalvaardigheid en nemen de dialecten van het volkslatijn waar ze de oorspronkelijke landtaal van de plaats mengen makkelijk over. Ze ontwikkelen een kunsttaal, een mengvorm van dat vulgaatlatijn met het Keltisch, het Franisch, het Laaglands of Nederlands en het Germaans en komen op die manier de nieuwe ideologie uitventen, waarbij vooral de plicht om netjes, tijdig, regelmatig en aan de maat belastingen te betalen voorop staat. Wie die plicht vervult zal bescherming krijgen van deze getabberde monniken tegen hoogwater, springvloeden, binnenvallende roversbenden, en ten behoeve van de aanleg van wegen, wisselplaatsen en berichtdiensten en de volksgezondheid. Ze tekenen uit hoe daardoor welvaart verkregen kan blijven. Het kazuifel of opperkleed van die praetor, diens albe (het sierwitte linnen gesteven onderkleed), de stolae (de symbolen van tuchtmiddelen) om de hals, de mijter (het hoofddeksel dat een verlenging is van het schedeldak) zijn daar voorbeelden van. Die geestelijken waren alle steeds Benedictijnen.

Militairement gedrild, steeds onderling in verbinding, steeds oprukkend via een beproefd patroon zoals stormtroepen met politionele taakstellingen doen. Ze waren geleerd, omdat ze konden lezen, schrijven, Latijn kenden in de klassieke gestandaardiseerde grammatica en dat onderling ook spraken en kondschapsdiensten onderhielden, met koeriersdienstregelingen. Ze deden ook daarbij zoveel mogelijk de Romeinse hoge ambtenarij na in de uitvoeringsadministratie. Want die formules waren bij overlevering ook al  bekend, ook bij het volk. Onbegrijpelijk, zeker, maar daardoor des te indrukwekkender.  En effectiever. Want die hadden destijds vrede gebracht in het noorden en handelsroutes met markten kunnen organiseren. Ze lieten dus kerken bouwen die leken op de Romeinse rechtszalen met een rondboog voor de rechters en hun personeel. De apsis. En die namen de christelijke kerken dus over. Een roomse priester draagt daaromde plechtgewaden van zo’n praetor, maar meestal weet hij dat zelf niet. Ik zet dat uiteen in een syllabus, katholieke geopolitiek in de Lage Landen. De bef is is zweetdoek die de praetor uit zijn manipel haalde tijdens de zitting, de zijden draagtas aan de linkermouw afhangend. Die strikte hij onder de hals en kin in plooien en die moest heel schoon zijn, zonder vlekkerigheid. In de mouwen had hij zijn wetboeken, want wie hoog was droeg nu eenmaal nooit een pantalon. Vandaar de brede manchetten met knopen aan het koorkleed over de witte onderjurk, de albe. Daar kon hij de boekjes in wegstoppen in die manchetten, rollen dus. De mijter wijst op viriliteit, want de cornae zijn de twee opstaande hoorns van die stier. De kerk draaide die een kwartslag in de mitra omdat de priester geacht werd celibatair te leven en dus geen vrouwen te bekennen: hij draaide zich daarvan af. Daarom staan ze nu op achterschedel en voorhoofd, net als bij Sinterklaas. Die draagt ze rood, omdat hij bloed komt storten bij geveld doodvonnis. Dat zag het wereldlijk gezag ook in. Het besloot daarbij aan te sluiten. Want vast in het zadel zat dat hier nog niet.