Het mooiste mèsje van het láánd en munne vaoder is fabrikáánt

De katholieke emancipatie van het Roomse Volksdeel was rond in 1925 staatkundig min of meer voltooid, maar echt stabiel was die inbedding niet gezekerd: de federatie van Rooms-Katholieke districts-Kieskringen was nog niet omgezet in een echte politeke partij die zich ook gewestelijk kon doen gelden en verder was er een enorme achterstand te overwinnen in het publieke domein qua opleidingsniveau, kredietsverstrekking voor grotere ondernemers en middenstanders, staatshuishoudelijke ideologie en prestaties op het gebied van kunsten en wetenschappen. In de Tweede Kamer was er wel een massief blok van katholieke clubgenoten onder leiding van de autoritaire monseigneur Wiel Nolens, huisprelaat van de Paus en zelfs later Protonotarius Apostolicus, maar echt krachtig dorst dat blok zich nog steeds niet te doen gelden. En de reden was: gebrek aan intellectuele diepgang, identiteitsbewustzijn en politieke doelstellingen. Vandaar dat Nolens tot op het absurde toe naar buiten toe een rigide fractiediscipline handhaafde bij de stemmingen, stemopnemingen, het actief kameroptreden volgens het reglement van orde en het innemen van publieke positiebepalingen, ook al bleven de katholieken deeluitmaken van alle confessionele kabinetten vanaf 1918. Ze waren met hun getal van minimaal dertig steeds een belangrijke groep, maar de politici liepen Nolens onwetend, onbewust en onbedoeld regelmatig totaal uit de hand, eenvoudig omdat ze niet wisten wat ze te doen stond. Een katholiek die met vrucht Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO) had gedaan gold al als een intellectueel van klasse. Het episcopaat, zelf ook niet al te beginselvast en doorwrocht opgeleid, wist het best. Dat wilde, naarmate de katholieken er in het staatkundige vlak meer toe deden, zich verzekeren van mensen die goed katholiek middelbaar onderwijs hadden genoten, liefst dat welke werd verschaft op het niveau van het door Thorbecke gedefinieerde Hogere Burger-onderwijs, de veelgeroemde drie- of vijfjarige HBS. Daarbij kon dan een vervolgtraject worden ingeslagen nadien gericht op koophandelsactiviteiten, dus zeer praktische vaardigheden. Maar dat dan ook nog rooms-katholiek academisch onderwijs zou kunnen worden verschaft dat naadloos aansloot bij de geloofsleer van de enig zaligmakende moederkerk, dat was voorlopig een brug te ver, reeds omdat daarvoor het onderwijzend bijbehorend roomse personeel voorlopig niet voorhanden zou zijn.

De aartsbisschop wist maar al te goed, wat er allemaal schortte aan het onderricht dat de grootseminaries plachten te verschaffen aan de aspirant priesters, ook op het gebied van theologie, moraalleer, kerkelijke geschiedenis, rechtsfilosofie, taalvaardigheid en spellingkunde, zelfs op een basaal niveau. Een katholieke universiteit, zoals de Belgen er één te Leuven hadden sedert 1420, zat er stomweg niet in. Nog in geen jaren. Daarin was Hendricus van de Wetering, de metropoliet te Utrecht zeer realistisch. Hij remde dan ook al te voortvarende collegae af die de defecten van die seminariën niet in wilden zien en ze gelijkstelden aan de wereldse universiteiten. Zoals Arnoldus Diepen, de plechtstatige en gepreoccupeerde gemijterde die de Bossche zetel bezet hield en allerlei wetenschappelijke publicaties deed doorgaan van priesters en theologanten die in de andere zuilen alleen maar de lachlust op plachten te roepen. Daarom was Utrecht niet gecharmeerd van het gedram om in Tilburg een roomse universiteit op te richten. Al had dat de pontificale zegen van Diepen, die Hendricus nooit helemaal in de hand had weten te krijgen. Tilburg lag in het diocese van Diepen, maar deswege kon deftige Nol, zoals deze prelaat ook wel genoemd werd vanwege zijn veel te plechtstatige vastenbrieven, daar nog niet zijn goddelijke gang gaan.  Ook niet omkleed met de hermelijnen schoudermantel. Diepen heeft zich onsterfelijk belachelijk gemaakt met zijn publicatie naar het Hoogduits van de monografie “De wellevendheid” speciaal geschreven voor de op het parochieel priesterschap mikkende theologanten die buiten de pastorie of kapelanie moeten weten welke vormen ze in acht moeten nemen bij diners, festiviteiten, publieke ceremonies en jubilea waaraan wellicht ook “andersdenkenden” deelnemen of waarbij deze categorie tenminste luister bijzet door loutere aanwezigheid. De vermaning om niet de neus te snuiten in het tafellaken, niet de mond af te vegen aan de gordijnen, niet in de soep te hoesten, niet te boeren of te winden en vergelijkbare aanzeggingen geven het niet-katholieke volksdeel inzicht wat het te wachten staat mocht het een priester van de roomse kerk uitnodigen voor een samenzijn binnen het publieke domein.https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/deftige-nol