In 1971 was ik in Tilburg eens gaan kijken naar de Hogeschool en haar populatie en onderwijsprogramma in de rechtswetenschappen. Of de rechtsgeleerdheid. Er waren kennismakings- en introductie bijeenkomsten georganiseerd voor middelbare scholieren die wellicht in de laatste kunde wilden gaan studeren. Ik kwam uit Eindhoven, was opgeleid aan een streng katholiek gymnasium en voor mij telde beslist dat deze hogeschool pretendeerde van katholieke signatuur te wezen, al wist ik niet precies wat dat dan exact moest voorstellen en hoe dat kon uitpakken. Verder was er géén numerus fixus in deze kunde door Den Haag beraamd en waren er modernere faciliteiten die het studieprogramma flankeerden zoals een mensa met wisselende menu’s, ook dat speelde mee. Want in kokkerellen was ik nooit goed geweest, ik stelde mij voorlopig voor spoorstudent te zijn. De faculteit was in 1963 opgericht en had noch reputatie noch traditie, verder gold ze als behoorlijk links. Maar dat was destijds iedereen die dacht dat hij intelligent was, maatschappijbewust en van goeden huize. Dan was je voor de Partij Progressieve Radicalen, de Pacifistische Socialistische Partij of, nog beter, de Communistische Partij Nederland. Hetgeen je niet verhinderde met je vader en je moeder dure vliegreizen te maken naar verre oorden, elk jaar een nieuwe brommer aan te schaffen met de nieuwste cadgets, de duurste merkkledij en spijkergoederen, schoeisel en brillen en zelfs whisky te lurken uit papa’s kennelijk onuitputbare voorraden. Als alle macht maar aan het volk kwam. Dat had ik op dat gymnasium wel geleerd en ook de daarbij passende barre hypocritische opstellingen waarvoor men zich nimmer geneerde. Zo bleek het aan die hogeschool ook te zijn. Een rijke jeugd kwam zijn horizonten verbreden en was zeker van lucratieve aanstellingen in de ondernemingen van haar verwekkers. Middenstanders en arbeiderstelgen waren ongewenst bij dit proces, maar daar zou ik pas in de doctoraalfase achter komen. Wat aan de beoogde onderrichtingen katholiek zou blijken te zijn was nog onduidelijk, maar dat was voorshands ook nog duister aan het wetenschappelijk personeel dat ons zou opleiden in de principes van genoemde kunde, want rechten, dat is een kunstje van taalvaardigheid en presentaties. Het kan een kunst zijn, maar wetenschap mag het echt niet heten. Dat was met het katholicisme dat ik thuis in Strijp bij Eindhoven opgedaan had ook het geval gebleken en had mij altijd gepast als een op maat gespannen handschoenenpaar. Dus dat zou wel goed komen. Mijn Kerklatijn zou er goed bij van pas komen, giste ik.

Ik begon daarom in 1971 ook maar vast wat op het hogeschoolterrein rond te sloffen met iets gebogen hoofd, achter de vale meute aan die de prachtige moderne gebouwen bevolkte en liet mij de gratis aangeboden koffie met gevulde koeken als garnituur graag smaken. Deze hogeschool had binnen de Nederlandse kerkprovincie de status noch vlees noch vis te bieden op moraal-theologisch terrein, geen dogmatiek te verschaffen en geen geleerde leidslieden te kunnen binden die in het canonieke recht geverseerd waren en dus certificeringen konden borgen op dit specifiek terrein. Je kon dus in Tilburg geen doctoraat halen in “beide rechten”, het wereldlijke en canonieke recht, en dat vond ik toch wel jammer. Je kon deze gebreken in de samenstelling van het curriculum ook proeven in de gevulde koeken, maar de nasi in de mensa was opperbest met heel veel opscherpende pindasaus, dus daar verheugde ik mij deerlijk op. En daarin ben ik ook nooit teleurgesteld. Alleen gingen de kroketten die bij de lunch besteld konden worden gaandeweg merkbaar achteruit, omdat de vleessubstanties die het baksel smaak moesten geven steeds verhoudingsgewijs minderden en gelijkenis met hondenbrokken gingen vertonen. Maar dan spreek ik van 1983 dus daar heeft de hogeschool toch nog redelijk mee getalmd. De kroepoek bleef knisperend en was gratis bij te bestellen. En dat is ook wat waard. Aldus vertoonde het staal van de menuvariaties in deze turbulente jaren gelijkenis met de ontwikkelingen in de katholieke kerk in de Lage Landen, want die baarden ook zorg en boden geen hartversterking. Zo was het met de hogeschool altijd geweest: als instelling van hogere wetenschap was ze steeds in de ogen van het episcopaat een zorgenkind geweest en gebleven, al kreeg ze veel versterkende middelen via bijzondere subsidies. De bisschoppen zagen haar eigenlijk niet erg zitten.
Maar het episcopaat wilde haar een kans geven, mits ze aansloot bij reeds bestaande voorzieningen voor middelbare katholieke opleidingen en gebruik maakte van de daarvoor reeds beproefde logistiek. Zo startte de Tilburgse instelling, nadat zij in 1927 was voortgekomen uit de Katholieke Leergangen, als Roomsch Katholieke Handelshoogeschool. Zij was toen nog niet gevestigd op de huidige campus, maar in de binnenstad van Tilburg. In 1932 werd daar de ondertitel ‘Hoogeschool voor economische en sociale wetenschappen’ aan toegevoegd, omdat de benaming ‘handelshoogeschool’ tot veel misverstanden leidde bij potentiële studenten (te weinig wetenschappelijk) of juist bij jongeren die een vakopleiding wensten te volgen (té wetenschappelijk). Enkele jaren later, in 1938, veranderde de naam statutair opnieuw. De Tilburgse instelling werd nu officieel aangeduid als Katholieke Economische Hoogeschool (KEH). Het logo veranderde toen in stilistisch opzicht ook. Het handelsschip, het Tilburgse stadswapen (met de drie torens) en het kruis bleven prominent zichtbaar, terwijl de caduceus (symbool van de handelsgod Hermes) naar de banderol werd verwezen. Daaraan werden de hoorn des overvloeds en een weegschaal, eveneens tekenen van handel, toegevoegd. Zo was het ook in de tijd dat ik er promoveerde, toen ik in de pauze van de promotieplechtigheid wat uitvoeriger kon kijken naar de zware staf die de pedel placht mede te torsen. Het was een heel geval. Maar wat of dat het voorstelde, dat bleef onduidelijk. En dat is eigen aan deze instelling die zich daarop nog steeds volstandig met vrucht op toe legt. Ze begrijpt de samenleving, staat in neonletters op de lichtreclame op de hoogbouw. Maar of dat goed is en of die deugt, dat blijft ook in het duister een open vraag. Het bijpassend leesteken ontbreekt in de neonbelettering, het kan hier dus ook een exclamatie of een loze constatering blijken. En dan is het dus kunst. Net als die geleerdheid. Die ik ging beoefenen. Maar nooit onder de knie kreeg.
