Het Nederlandse strafvorderlijke vervolgsmonopolie en het noodzakelijke ICT-implementatietraject I

De totale herziening van het strafvorderlijk stelsel in Nederland werd mede ingegeven door de noodzaak eindelijk in dat systeem de ICT-systemen en de digitale snelweg volledig te integreren in iedere fase van de procesvoering nadat een verdenking van enig strafbaar feit was begaan. Het Wetboek van 1927 deed dat uiteraard niet. De bij de strafvordering betrokken uitvoeringsdiensten maakten niettemin toch gebruik van deze moderne communicatietechnologie, die zich vooral na 2000 razendsnel uitrolde in Nederland dat ook voorop liep bij deze doorontwikkelingen, maatschappijbreed en diepgaand, gestimuleerd door de bijbehorende bestendige infrastructuren, voorlopig destijds nog in beheer bij de PTT en KPN.  Dat deed men op basis van uitvoerings-wetsbesluiten geslagen bij ministeriële verordeningen en later bij Algemene Maatregelen van Bestuur (Hierna ook: AMvB’s). Wellicht was dat niet helemaal in de haak omdat deze praktische interimoplossingen niet schenen te sporen met het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel, neergelegd in artikel 1 van het Oude Wetboek dat stipuleerde dat strafvordering steeds bij de wet in formele zin moest worden voorzien.

In eerste instantie ging het vooral om de uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken voorgeschreven bij of krachtens dat Wetboek. Dat deed een semantische discussie losbarsten over de bandbreedte van het begrip “strafvordering” in dit verband van processuele waarborgnormen, maar de inmiddels ingestelde commissies die een herziening van het strafvorderlijk stelsel in Nederland bestudeerden kwamen in dit opzicht tot praktijkgerichte oplossingen. Dat had de oervoorganger van deze commissie, de zogeheten-commissie Moons voorshands ook in dit opzicht geadviseerd en die, geen echte rechtsstatelijke problemen voorziend in dit opzicht, was gezaghebbend genoeg om aldus deze tussenoplossingen voorshands te dragen. Maar dat door het hele wetboek heen uiteindelijk de schriftelijke postale uitreiking, aanzegging en betekening vervangen zou moeten worden door geborgde digitale equivalenten was een ieder duidelijk. Moons had hier en daar arrondissementale proeftuinen weten op te zetten waarin deze digitalisering werd beproefd en al was niet iedereen enthousiast, mede omdat het departement vrij schriel was met de financiering van de bijbehorende ICT-infrastructuur,  dat er uiteindelijk aan die brede digitalisering niet te ontkomen viel was ook duidelijk. Deze digitale revolutie had zich nu eenmaal  in gang gezet. De gedachte was dat voldoende zou zijn de delen van het oude wetboek waarin het ging om de uitreiking van gerechtelijke stukken en het aanwenden van de rechtsmiddelen, gewone en buitengewone, aan te passen aan de uitkomsten van deze revolte zodra deze enigszins in aanvangssnelheid was vertraagd.

Maar, overgaande tot piecemeal-repairings  van het zo vertrouwde en breed ingedaalde Wetboek, met het oog op deze digitalisering kwam men al snel tot de bevinding ten departemente dat er ook andere zwakke steëen  bestonden binnen dat uitgeplogen en vaak beproefde stelsel, vooral die welke betrekking hadden op de stormachtige ontwikkelingen in de interstatelijke strafvorderlijke rechtshulpbetrekkingen. Verder waren er de nog de bijzondere opsporingsmiddelen en bewijsvergaringsmethodes die kennelijk noodzakelijk waren in verband met de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, dus waarom deze niet apart meegenomen?  De academische wereld kreeg nu voor dat Wetboek interesse en betoogde omstandig in monografieën dat eigenlijk een heel nieuw Wetboek noodzakelijk was en dat de ICT-matige veranderingen via amenderingen van het oude Wetboek omgezet moesten worden in een herbezinning op de digitale virtuele wereld als autonoom, protolegaal fenomeen. Met protolegaal wordt bedoeld dat het gaat om een vóórgegeven onontkoombaar verschijnsel dat de juristerij niet kan beheersen en niet negeren en dat ze dus moet zien te integreren. Dat laatste kan op verschillende wijzen plaats hebben. Dat kan een kwestie van méér of minder zijn. Er kunnen principiële maar ook graduele drempels zijn bij het verdisconteren van deze protolegale data. In dit verband kan men slechts signaleren dat het wetsvoorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering wat de ICT-matige aspecten betreft kennelijk voorshands slechts graduele zwarigheden scheen op te roepen. Kwesties van technische aard, maar toch vrij kleurloos, rechtsnormatief bezien. Weliswaar waren ook de juristen thans doordrongen van Marshall  McCluhans spreuk the medium is the message. The medium is the message betekent dat de aard van een communicatiemiddel (het medium) een veel grotere impact heeft op de mens en de samenleving dan de eigenlijke inhoud (de boodschap) die dat middel overbrengt. Bedenker: De Canadese mediacriticus Marshall McLuhan.  Hij  introduceerde de uitspraak in 1964.  Maar de juristen meenden dat ze middel en boodschap nog steeds in hun systemen heel goed van elkaar wisten te scheiden. Ze hadden echter beter moeten weten.