De wettelijke inkadering van de ICT-omgeving

De Minister van Justitie, die de Tweede Kamer moet meedelen dat de ICT-aanpassingen die noodzakelijk zijn voor de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering die tijdig kunnen worden verwezenlijkt in zijn Beleidsreactie van 30 juni inzake het advies van het Adviescollege ICT-toetsing (het AcICT) vindt toch dat hij de volksvertegenwoordiging iets moet zeggen over het vervolgtraject van de uitvoeringsfases. In wezen komt dat erop neer dat hij de volksvertegenwoordiging als medewetgever helemaal wil passeren. En daarom endosseert hij de vaststelling van dat traject aan de Kroon die over deze fasering meerdere Algemene Maatregelen van Bestuur moet slaan. Daarmee, zo zal het oogmerk zijn, wil hij dat traject geheel depolitiseren en houden buiten het voortgezette staatkundige gemene overleg dat hij met de Kamer pleegt te voeren over wetgevingsonderwerpen. Hij vindt kennelijk dat het hier louter een reeks kwesties betreft van technische aard. Er zijn inderdaad keuzes te maken, maar die betreffen digitale electronische aspecten van niet-principiële aard.

Ze zijn verbonden met de verschillende applicatiemogelijkheden die de ICT biedt aan de strafrechtketen. De minister doet nu zijn uiterste best zich zo wollig, neutraal en technisch mogelijk uit te drukken. Het gaat om randvoorwaarden waaraan de ICT-inbedding moet voldoen. Hij schrijft: ” Om opvolging te geven aan het advies van het AcICT en, mede gezien het signaal van het Openbaar Ministerie, goed zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden qua datum voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering hebben wij de volgende trajecten in gang gezet:

  • In opdracht van het Bestuurlijk Ketenberaad is een traject gestart met de ketenpartners om gezamenlijk te onderzoeken wat al dan niet haalbaar is ten aanzien van de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering per 1 april 2029. In het traject wordt zowel gekeken naar de juridische mogelijkheden om onderdelen van het nieuwe wetboek eerder of later dan de rest in werking te laten treden, als naar de impact van de implementatie van het nieuwe wetboek, in het bijzonder naar de knelpunten ten aanzien van de benodigde ICT-aanpassingen. Tijdelijke oplossingen die niet direct (volledig) via ICT-systemen de wetgeving ondersteunen worden daarbij tevens bekeken.
  • Met name de bouw en ontwikkeling van de systemen bij het Openbaar Ministerie (Emma) en de politie (Registratie Applicatie Politie Processen (RAPP) en Summ-IT 7) zijn van groot belang, ook voor de implementatie van het nieuwe wetboek. Daarom wordt aanvullend onderzoek gedaan naar de randvoorwaardelijke ICT-systemen van deze organisaties, eerst bij het Openbaar Ministerie en daarna bij de politie, om een goed beeld te hebben van de risico’s en het tijdpad waarbinnen de ICT-aanpassingen die nodig zijn voor de implementatie van het nieuwe wetboek afgerond en getest kunnen zijn.
  • Ten slotte versterken we de regie op de ICT-aanpassingen en afhankelijkheden die nodig zijn voor de implementatie van het nieuwe wetboek. Sinds kort is er binnen het departement een programmadirecteur strafrechtketen aangesteld. Daarnaast wordt een meerjarig plan opgesteld dat de gezamenlijke en individuele ICT-opgaven adresseert, inclusief tussentijdse mijlpalen, herijken we jaarlijks het implementatiebudget en monitoren we de voortgang van de IV-opgaven.” De politieke gevoeligheden die immanent zijn aan iedere strafvorderlijke inzet en aanwending van het Rijksapparaat, zo is de suggestie, zijn thans gepasseerd. Het gaat alleen maar om haalbaarheidsstudies over de trajecten die alsnog ingeslagen moeten worden. Maar de grote politieke beslissingen over die inzet zijn genomen toen de Kamers akkoord gingen met het Wetsvoorstel. Die zijn dus onherroepelijk en moeten als feiten aanvaard worden. Hij zegt er bij dat hij wil kijken naar haalbaarheid en gedegenenheid, niet naar nieuwe bevoegdheden of aanwendingsmogelijkheden binnen de uitvoeringsalternatieven. Want dat die alternatieven er zijn, ontveist de bewindsman zich niet. Verder zal het ingeslagen uitvoeringstraject geen gevolgen hebben voor de diverse aanpassings- of aanvullingswetsvoorstellen die al aanhangig gemaakt zijn. Dat herhaalt de bewindspersoon zo vaak, dat zekere achterdocht gewekt zou kunnen worden. Zitten er addertjes onder het gras? Ik zou zeggen van wel.

Naar alle waarschijnlijkheid zal het ICT-uitvoeringstraject voor essentialia uitbesteed moeten worden aan private ondernemingen. Het Openbaar Ministerie zal dat traject niet eigenstandig door de eigen interne ambtelijke organisatie kunnen uitvoeren, borgen en rechtsstatelijk verankeren. Ik gaf al aan, dat daarbij de plaats van vestiging van die aannemer en leverancier, mede met het oog op de plaatsbepaaldheid, positionering en intellectuele opbouw van de content van de cloud niet onbelangrijk zal blijken en ook uiterst relevant zal blijken voor de onschendbaarheid die het Openbaar Mininisterie zal willen claimen over het dataverkeer dat gefaciliteerd zal moeten worden, de certificering van de informatiestromen, de authenticisering ervan bij gerede twijfels daaraan en de toetsen om de intellectuele integriteit te valideren. Stel dat de aannemer en uitvoerder statutair buiten Nederland gevestigd zal blijken en onderworpen aan het nationale recht van de territorialiteitsstaat — hetgeen op dit moment bij het huidige gebrekkig ICT-systeem dat het Openbaar Ministerie hanteert het geval is — en stel dat de verhoudingen met deze territorialiteitsstaat politiek onder spanningen komen te staan — hetgeen op dit moment bepaald óók het geval is, want voor aanvullende waarborgen heeft dan de justitiabele in de ruimste zin van het woord dat dit ICT-verkeer niet verstoord, vervalst, geopenbaard of aan gevaarzettingen van geopolitieke aard zal onderworpen worden dan wel ontoegankelijk gemaakt wordt en wat voor rechtsgevolgen zullen dan voorzienbaar worden? Juist daarom zouden daaromtrent randvoorwaarden moeten worden gedefinieerd in het Algemeen Deel van het Wetboek, mede omdat uit de brief eigenlijk steevast blijkt dat het departement geen benul heeft van de rechtsgevolgen die aan dergelijke positiewijzigingen in de interstatelijke verhoudingen verbonden moeten worden. Ik veroorloof mij weer een vergelijking met de situatie van 1870-1881 toen de vraag actueel werd of het Wetboek van Strafrecht geen voorzieningen zou moeten bevatten over de ruimtelijke of personele heerschappij van het materiële strafrecht. Zulks met het oog op het opkomen van Keizerlijk Duitsland en het nationaliteitsstreven in omringende regio’s in West Europa, die zich leken de verenigen tot grotere natiestaatverbanden, die bepaald het nationale rechtssysteem deden uitdijen ten laste van kleinere staten zonder militaire doorzettingsmacht, waaronder Nederland en België. Door bijvoorbeeld in de wetboeken de gelding van het onbeperkt personaliteitsbeginsel te claimen, zodat de nationaal van zulk een groter natieverband ook het eigen strafrecht zou mogen inroepen wanneer die nationaal slachtoffer zou worden van grensoverschrijdende delicten, wel strafbaar in die natiestaat maar niet in Nederland. Zie: https://gerardstrijards.nl/strafwetboek-voor-de-noordduitse-bond/