Nieuwe contracten van correspondentie II

 

Natuurlijk zagen tijdgenoten best, net als nu, dat deze contracten van correspondentie het land tot verderf moesten voeren omdat onkundigen bij uitstek konden omhoogvallen. De regenten waren nooit specialist in wat dan ook. Ze hadden beschaafde omgangsvormen of wat daarvoor dóór ging en spraken Frans van eigen maaksel, zoals bijvoorbeeld de sjieke burgerlijke notabelen uit Antwerpen bleven doen tot ver in de twintigste eeuw. Maar apert was, dat de regenten evenmin als deskundige generalisten konden gelden in de koophandelszaken.  Dat waren hun opa’s beslist wel geweest. Die golden als bekwame reder, assuradeur, wisselhandelaar, bankier en als scherpe taxateurs van de wereldhandelskoersen. Wie hen kon belazeren, verdiende een plaats in de hemel, niet rechts van de Vader, maar links. Dat ging niet op voor hun verpapte kleinkinderen.De regenten krachtens geboorte, met de gouden lepel in de bek geboren. Die waren berucht als brokkenmakers en als handelsverpesters. En hen werd steeds vaker rechtstreeks aangerekend dat ze daarmee de bestaanszekerheid van hun onderhorigen totaal bedierven. Zonder zich daarom te bekommeren: hun vaders hadden hun reserves in Londen belegd en een handigerd die daaaraan wist af te doen.  Ze hadden zelf geen last van de door hun onkunde veroorzaakte marktfluctuaties. Maar hun volk wel. Zoals nu de (klein)kinderen van de boomers. De beruchte Björns, Arendo’s-Jan,  Willemijns-Kaat, Willems-Falco. Via het netwerk van de grachtengordels.  In de gewesten buiten Holland kwamen daarom destijds  regelmatig opstanden voor via het proletariaat. Dat wist dat het hoge accijnzen moest dokken. Op het primaire volksvoedsel. En dat de hooggezeten regenten niettemin de tering weigerden naar de nering te zetten.  Ze bleven met geld smijten. Zo kwamen de regenten aan hun slechte naam. In Nederland is het allerminst goed als men als “regentesk” bekend staat. Faam verwerft men dan niet en men kan het ook nooit meer goed maken.  De raadspensionaris Heinsius en zijn opvolger Van Slingerlandt wisten het maar al te goed. Terwijl de term “regent” eigenlijk kleurloos en onbelast behoort te zijn.  In staatsrechtelijke, politieke-bestuurlijke  zin is een regent(es) de persoon die namens een koning of andere vorst de honneurs waarneemt. Evenwel, in het huidige taalgebruik heeft het begrip regent ook de figuurlijke betekenis gekregen van een eigenmachtig optredende, autoritaire bestuurder die als brokkenpiloot tussenbeide komt. En nooit iets leert. Op het moment om de staat grondig te hervormen, bij de dood van Koning-Stadhouder Willem III van Oranje, is er niemand die aan het correspondentie-systeem een eind wil maken omdat iedereen die er toe doet er te veel belang  bij heeft en vooral omdat iedereen die bij het systeem belang heeft veel bezwarends weet van de andere deelgenoten.

Men heeft elkaar wederkerig bij de ballen. Willem III sterft kinderloos. De andere Oranjes in den Lande zijn niet gerechtigd tot opvolging krachtens Salisch erfrecht. Men zou dan menen dat men alle regenten die via de correspondenties tot ere zijn gekomen kan afdanken en dat had ook makkelijk gekund. Want dat het regeringsapparaat een moloch is, inert en geen knopen kan doorhakken maar alleen maar uitstellen, totdat het te laat is en rampspoed voor de deur staat is dagelijks thema in de libellen, de papieren schotschriften die het land door dwarrelen als een sneeuwstorm. In Zeeland komt men tot bestendige oproer, maar ook daar tast men niet door. En toch heeft het volk zichzelf daar verenigd. Het zet gehate regenten af, bestormt hun huizen en bedreigt hun vrienden en magen. Maar tevergeefs, al kwam men ver.  De steden Middelburg en Goes gisten van woede. Het eiland Tholen is toneel van weken durende bloedige gevechten, een burgeroorlog gelijk. Zo ook in Gelderland. Ook al heeft de adel daartegen milities verzameld tot expeditionaire brigades om het volk de stuipen op het lijf te jagen.

Maar de opstandigen houden niet vol. Ze kruipen steeds weer in hun schulp. Zo zal het ook gaan in 1848, 1853, 1903.  En ga zo maar door, want zo rustig is het kikkerland nu ook weer niet geweest.  De regenten weten zich te vermommen, duiken onder en reizen naar het buitenland.  Ze brengen hun goudstaven allemaal nu maar naar Londen en wachten rondom de Middellandse Zee op betere tijden, wetende dat die spoedig zullen weerkeren: want zo is het altijd gegaan. De regenten zijn hardnekkig en vindingrijk. Vanaf de laatste eeuwwisseling duiden politici er ook leiders van politieke partijen, instanties en organisaties mee aan, die met te veel autoriteit en te weinig inspraak leiding geven, of het wordt gebruikt voor politieke partijen die met grote regelmaat mensen voor regering, provinciaal en lokaal bestuur leverden. De Nederlandse steden werden nu eenmaal  reeds sinds de late middeleeuwen bestuurd door de rijkere koopmansfamilies en oudere adelsgeslachten uit de heerlijkheden en hertogdommen, die langzamerhand een gesloten klasse gingen vormen. Aanvankelijk kon de in schutterijen verenigde lagere burgerstand hier nog een zeker tegenwicht tegen bieden. Maar in de loop van de 17e eeuw kreeg het stadsbestuur een steeds meer oligarchisch karakter. Dwangmatig.

Het regentenpatriciaat als heersende klasse binnen de stad stamt al van voor de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het heeft zich in de loop van de tijd gevormd onder invloed van verschillende gebeurtenissen. De Hollandse steden zijn over het algemeen ontstaan in de middeleeuwen, zo rond de 13e eeuw. De steden wisten handig gebruik te maken van de onderlinge machtsstrijd tussen de vorst en de adel om haar eigen positie te versterken. Zo werd de stad een nieuw machtselement in de middeleeuwse feodale samenleving, Daar kon ten slotte noch vorst noch adel omheen. De vele oorlogen kostten de adel en landsheren ook veel geld. De directe opbrengsten van hun bezittingen waren dikwijls niet voldoende om huurlingen te betalen of hun eigen leger goed uit te rusten. De enige andere geldbron was de opkomende koopliedenklasse in de groeiende steden. Die werkte met toonderpapieren van grote geldswaarden, die, makkelijk verhandelbaar, deze klasse grote mobiliteit gaven Tot belastingontwijking. En ontduiking. Euvelen die regenten nooit zullen bestrijden. Het is hun bron van bestendige welvaart.  Deze koophandelssjacheraars wilden wel geld verstrekken maar dan wel onder zekere voorwaarden en altijd onder voorbehoud van zekerheden. Door middel van deze financiële steun aan de landsheer verkregen de steden aldus stadsrechten, privileges en een zekere mate van zelfstandigheid in het regelen van hun interne verhoudingen. Deze nieuwe verworven autonomie bracht met zich mee dat naast de afgevaardigde van de landsheer, de schout, er een aantal mensen moesten zijn die de stad via voorkennis en op afstand konden besturen. Zie hier de geboorte van de stedelijke bestuurder, wiens macht niet gebaseerd was op afkomst maar op rijkdom. Want de middeleeuwse stedelingen waren van mening dat de vroedschap, waaruit de stedelijke bestuurders werden gekozen, moesten bestaan uit de wiijsten, bijzondersten en treffelijksten en aanzienlijksten van de stadsbevolking. Hier zien we de aanhef wassen die gebezigd wordt ter aanduiding van deze groep en haar leden, waarvan de burgerlijksten aanspraak mogen maken, op den duur, met gestandaardiseerde aanspreektitel (WelEdelGestrengen Heer,  EdelGrootAchtbare, WelEdelZeergGeleerde Here) maar nooit of nooit Excellentie). Zie Nicolaas Beets in de Familie Kegge.