Decennialang hebben vaderlandse historici er onderling over getwist of deze contracten van correspondentie tussen de regentenfamilies nu wel of niet goed waren voor de efficiëntie, evenredigheid en spreiding van de openbare bestuursverantwoordelijkheden. Want, zo werd vaak gesteld, de macht over het publieke domein werd dan toch maar evenredig verspreid en feitelijk uitgeoefend, als het erop aan kwam, door de gremia met de juiste expertise die ook individueel zich van hun verantwoordelijkheden ter dege bewust waren. Ze waren bekend, ze moesten de contacten met hun klanten open houden en konden het daarom met de omkoopbaarheid niet al te bont maken. En er was altijd de mogelijkheid dat ze gestraft werden door regelmatige volksgerichten waarin de eindverantwoordelijken flink afgedroogd werden. Met lijf, eerbaarheid en goederen als directe inzet. Dat was toch heel wat gerichter dan de top-downbenadering die in Engeland gangbaar was tussen de bestuursadel, de bewoners van de grote landhuizen enerzijds en de volksbendes anderzijds die van tijd op tijd losgingen, vol onberekenbaarheid en ook volkomen zonder maat. Dickens schetst dat heel goed in zijn “Tussen Londen en Parijs” (A tale of two cities), daarbij de twee koninkrijken Frankrijk en Groot-Britttannië vergelijkend. En zo kon ook de volksmobilisatie van de wijkbendes van het middeleeuwse Parijs volkomen uit de hand lopen met de Franse Revolutie als uiteindelijk onbedoeld, veel en veel te drastisch gevolg. Omdat het systeem van regeren geen politieke parlementaire verantwoordelijkheid kende ten laste van een bewindspersoon. Iemand als Huizinga voert daarom het pleit voor de regenten en zo doen ook Colenbrander en zelfs de twee Romeins,Jan Romein, en zijn eega Annie Verschoor nog het meest uitgesproken.

Of de Utrechtste prof Geyl, die toch zo vaak de plank missloeg met zijn refertes aan het volk van Dietse Stam dat werkelijk nooit bestaan heeft. Robert Fruin heeft echter al vroegtijdig in de tweede helft van de negentiende eeuw uit private archieven zoveel specimina weten op te duiken betreffende de wederzijdse omkopingen van families betrefffende publieke aanstellingen, beambten, posten en verpachtingen van belastingheffingen tot in de derde macht met duistere provisie-afdrachten dat we dat heden ten dage eigenlijk toch niet goed kunnen volhouden. Al proberen historici het nog steeds te doen, reeds omdat ze zelf ook onderdeel zijn van het correspondentiestelsel waaraan ze vaak hun wetenschappelijke werkkring te danken hebben. De regenten zijn wel te onderscheiden in de groepen hunner die vóór de vrede van Münster hun aanstellingen en bedieningen uitoefenden vanaf 1609, dus tot 1650, en die dat deden tussen 1648 tot 1713. De Vrede van Utrecht markeerde hier de pas van deze groepen. De regenten van de Gouden Eeuw — te dateren tussen 1602 en 1665 — waren toch nog ervan doordrongen dat ze hun posten hadden gekregen door een soort volksopstand tegen een centraliserend koninklijk systeem. Een monarchie die weinig ophad met godsdienstvrijheid en die voorzag in een progressief belastingstelsel, strijdend met duur gekochte stedelijke privileges. Voorrechten veroverd op graven en militaire gouverneurs die steeds maar de bevolkingen van de regio’s probeerden mee te zuigen in oorlogen waar de regio’s niets mee te maken kónden hebben. Deze regenten zijn tegen dat systeem en betrachten de godsdienst als een fermentatiefactor in het wassend nationaal bewustzijn, meestal de religie op strikt gereformeerde grondslag, later de hervormde leer genoemd. Die religie zijn ze, als waarborg voor hun existentie in het staatkundige, ook toegedaan zelfs al geloven ze niets van een God die een heilsgeschiedenis voorheeft met het Nederlandse Volk. Al zwijgen ze daarover wijselijk. Ze gaan ter kerke, komen niet in de preeektuin, verduren de predicaties en de geestdrijverij en ontwijken dominee zoveel mogelijk. Ze doen sober, dragen zwart, wijzen ostentatie van luxe en praal hartgrondig af en zijn zwijgend hoogmoedig. Zo laten ze zich schilderen. Ze blijven één met het volk, al zijn ze gelijker dan hun volksgenoten. De heer Bicker senior te Amsterdam, laat zich zo schilderen.

Zijn kleinzoon is zijn tegendeel. Hij laat zich schilderen in zijn opulente dikte, met dure stoffen aan het botte lijf en een dwalende blik die verraadt dat hij zich constant te pletter verveelt en geen raad weet met zijn eervolle ambten en zijn overgrote aanzien. Tenminste, zolang hij niet aan zijn welvoorziene dis zit met onbetaalbare spijzen. Hij begrijpt niet waarvan zijn luxe komt. Maar wel dat deze hem toekomt en dat dat goed is. Hij zal de Republiek ten grave dragen. Via een faillissement van alle vennootschappen die zijn vaderen oprichtten. Deze regenten zijn nu in 2026 via D66 aan het bewind in Nederland, waarbij zij corpulentie schuwen. Maar de wezenloze blikkering in de blik geenszins. Zo krijgt de Nederlander wat hem toekomt. Leiders die geen leiding kunnen geven. Richtingloos, besluiteloos, uitstellend en geen begrip voor de tekenen des tijds. Maar wel haastend van event naar event. Van manifestatie naar manifestatie. Genietend van aandacht en positie. Zonder verder benul te hebben wat zich in het land voordoet en waarheen zijn gang moet zijn. Omdat hij zeker is van een volgende benoeming als staatsruivenier.
