Bedenk dat in west Europa de natiestaten in opkomst waren en hun rechtsmachtkringen steeds meer ten koste van elkaar uitbreidden. Dus vooral ook strafrechtelijk. De strafrechtelijke rechtsmachtclaim geldt als een van de meest verstrekkende aanspraken op externe soevereiniteit. Staten zijn in deze periode allemaal bezig met elkaar te concurreren Groot-Brittannië voorop, daarna Frankrijk en dan de groep staten die samen het Keizerlijk Duitsland zullen samenstellen bij de wansmakelijke vertoning in de Spiegelzaal van het Paleis van Versailles in 1871 die men de ïnhuldiging van de Duitse Keizer zou gaan noemen. Nederland deed natuurlijk als koloniale mogendheid ook flink mee. Het had nog enorme koloniale gebieden en overzeese bezittingen, aan de westkust van Afrika, het beruchte Nederlandse Guinee, het had in Japan exclaves, ook in China en Indo-China en was flink bezig via codificaties de ruimtelijke heerschappij van het Nederlandse recht vast te stellen. Dat was iets nieuws. En nieuw was ook de urgentie van deze claim in verhouding tot de supermogendheden in Centraal Europa. Mede door de stormachtige ontwikkelingen van het spoorwegwezen. Nederland had steeds als vanzelfsprekend aangenomen dat het eenzijdig deze heerschappij kon formuleren naar de noden en naar believen van dat moment, dat kun je aan de notulen-den Wal ook duidelijk merken. Maar het bleek niet zo te zijn. Daar had je nu de immense Indische Archipel Nederlandsch-Indie. Thorbecke nam als volkomen vanzelfsprekend aan dat daar het Nederlandse strafrecht zou kunnen gelden als dat Den Haag goed uitkwam.

Maar daarbij had hij toch echt misgerekend toen hij aan kwam zetten met het Regeeringsreglement voor Nederlandsch Indië in 1854, een soort van grondwet voor de Archipel als toegekende en erkende volkerenrechtelijke bezitting binnen de interne souvereiniteit van het Koninkrijk. Want hij zag over het hoofd dat de Engelsen daar helemaal anders over dachten voor wat betreft Sumatra waar ze vruchtdragende ondernemingen en volksplantingen hadden bij Djambi en rondom Benkoelen. Dat Engelsen zouden moeten gehoorzamen aan Nederlandse wetten was geen gelopen race, liet Whitehall weten, dat was wat Groot-Brittannië betreft uitgesloten krachtens de concessievoorwaarden waaronder de Britten de Archipel hadden gegund in 1813. Britten vielen onder Brits recht. Uit. Dus ook onder Brits strafrecht. De Nederlanders moesten Britten immers wat staatsburgerschapsrechten en wat grondrechten betreft dezelfde rechtpositie borgen als die welke deze Britten zouden hebben gehad wanneer ze niet uitgevaren waren en in hun graafschap waren gebleven. Dat zou Nederland hen moeten borgen, vooral bij hun deelneming aan het handelsverkeer, omdat Nederland vrijhandel had beloofd aan de Britten zoals ze vanuit het Verenigd Koninkrijk gewoon waren. Daartoe zou Nederland effectieve controle moeten uitoefenen die de Britste overheid jaarlijks zou mogen komen inspecteren op defecten en achterblijven bij de in Londen gangbare moderne standaarden.
Dat gold dat ook voor de exclaves die de Nederlanden hadden in en aan de Straat Malakka en op Ceylon. Bij strafrechtelijke afdoeningen zou Batavia de Britten borgen dat een rechter daarover zou zitten die het Engelse recht kende en ook de bijbehorende leidende jurisprudentie. Daaraan voldeed bijna geen Nederlandse rechter, overigens. Met de Britten was dan best te praten, natuurlijk, Whitehall dreef nooit zaken nodeloos op de spits, maar als de Hollanders zich niet aan de twee Sumatratractaten hielden, dan konden zij op korte termijn een britste kanonneerboot verwachten in de Baai van Batavia ter hoogte van het eiland Onrust. Ten aanzien van Britten hanteerde Londen het personaliteitsbeginsel, zo deed Whitehall weten, geen gezever daaromtrent, en als Den Haag dat anders zag dan moest het maar om verdragswijziging vragen, want de situatie op het gebied van de piraterij ter hoogte van Atjeh beviel Whitehall al in geen jaren. Dan hadden de Hollanders maar duidelijker moeten zijn. Daarom besloot de comissie-De Wal deze keer heel duidelijk te zijn via artikel 2 Algemeen Deel, dat klonk als een klaroenstoot. Ook omdat Bismarck dezelfde opstellingen begon te vertonen als Londen via Gladstone. Onvermurwbaar. De vervolgde voor een in Nederland begaan feit moest zeker kunnen zijn dat de zaak naar Nederlands recht zou worden berecht en afgedaan. Ook bij Duitsers als oneerlijke concurrenten in de Rijnvaart. Daarom zou de fictie “schip is territoir” niet gelden in Nederland, want het merendeel van de vaartuigen in de havenbekkens op Feyenoord voer op buitenlandse vlag. Zou een veroordeling volgen, dan ware die naar Nederlands recht tenuitvoer te leggen. En was dat gebeurd dan hoorde Nederland het buitenland te beletten voor het feit waarvoor de veroordeling gold andermaal te vervolgen en te straffen. Die borg vloeide ook voort uit het territorialiteitsbeginsel. Vandaar het wat krakkemikkig geformlueerde artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht dat deze borg maar heel partieel articuleert. Maar de commissie -De Wal wist er ook geen raad mee. Er was nog geen verdragsrecht te dezen en Bismarck liet zijn nieuwe Keizerrijk niet breidelen.
