Rechtsdracht

De eerste grote internationale strafzaak die ik in een Crown Court moest bijwonen ambtshalve, als amicus curiae, vriend van het Hof, ging over een ontzagwekkende drugsorganisatie die centraal geleid werd vanuit Birmingham. Deze was gespecialiseerd in de aanvoer via Amsterdam van onversneden Columbiaanse cocaïne via containerschepen met weer een imponerende straatwaarde per kilo, want ze werd pas in omloop naar de detaillisten gebracht na een grondige vermenging op aanwijzingen vanuit Brirmingham via versleuteld mobiel telefoonverkeer. Dat verkeer was maanden lang afgeluisterd in Nederland en de gehoorindrukken die daarmee verkregen waren, waren beslissend voor de strafbare aansprakelijkheid van de centrale directeuren in Birmingham. Nu was het Britse recht destijds zo, dat in strafzaken uitluistereffecten van dit soort telefoontaps aangelegd door de recherche over het algemeen niet toegelaten werden. Daarvoor moest de staat zelf eigenlijk direct in enig belang gekrenkt zijn bij de soevereiniteitsuitoefening. En destijds gingen de rechters er niet vanuit dat zo iets zich bij drugsdelicten zou kunnen voordoen. Maar de geheime diensten van Engeland luisterden wel degelijk op grote schaal uit via taps zonder rechterlijke tussenkomst. Ze stelden de eindresultaten daarvan ook ter beschikking van de politie die zich met strafzaken bezighield, want die had een soort merkwaardige U-constructie bedacht waardoor, uiteindelijk, de strafrechtelijke politie toch voort kon gaan met het bezigen van die uitluistereffecten voor een strafvervolging via interstatelijke rechtshulp.  De Engelse politie had dan immers de telefoonnummers ter beschikking en vroeg Nederland, waar veel drugstransit plaats vond naar Centraal Europees achterland, taps aan te leggen op bepaalde nummers.

Met het oogmerk de Nederlandse uitluisterresultaten dan maar te bezigen, uiteindelijk, in de Engelse strafzaak. In deze constructie moet de Engelse rechter uitgaan van het rechtsvermoeden dat in de staat, waar het tappen plaatsvindt, de tap heeft aangelegd in overeenstemming met het daar geldende strafvorderingsrecht. De Engelse rechter mag in principe niet gaan onderzoeken of dat inderdaad wel klopt, dat rechtsvermoeden, tenzij de verdediging aannemelijk maakt dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat de aangezochte autoriteit van het rechtshulpverlenende land zijn eigen nationale strafvorderingsrecht aanmerkelijk heeft geschonden. Aanmerkelijk: dat houdt in dat er een onherstelbare inbreuk is begaan op enig grondrecht van de vervolgde zonder dat de wet tot die inbreuk machtigde. Flagrant, dat moet de inbreuk zijn: niet meer herstelbaar, onherroepelijk en aantoonbaar met opzet begaan. Zo’n verweer, dat een bewijsuitsluitend karakter heeft, moet onderbouwd worden door de verdediging met aannemelijke en objectiveerbare feiten en omstandigheden. De advocaat voor de verdediging had zo’n verweer gevoerd. Het was een QC (Elisabeth II was nog op de troon) en de Crown Prosecution zat nu met de handen in het haar, want hoe zou dat verweer weerlegd kunnen worden? Dat was in ieder geval géén zaak voor de politie die de Service had ingeschakeld. Die had immers de zaak bij de Service aangebracht, die had de Service verdenking redelijk gekeurd en daarmee was de politie belanghebbende geworden in dit geding. Die had vervolgens laten uitzoeken bij de Service wie in Nederland doorgaans taps laat aanleggen en onder welke voorwaarden.

En dat bleek het Openbaar Ministerie te zijn, deze keer belichaamd in twee Officieren van Justitie. Die hadden, zich evenmin met deze zaak zich hemelse raad wetend, zich tot het Parket-Generaal gewend in Den Haag, want daar scheen een Afdeling Internationaal te zitten die wist hoe nu verder geacteerd moest worden. De dienende dag van het verweer was al bepaald en ook, dat de verdediging, Holland QC, een gerenommeerde professor in het Internationale Strafrecht had gevonden die ter zitting duidelijk zou komen maken dat het Nederlandse Openbaar Ministerie volkomen ten onrechte de taps had doen aanleggen.En dat dus de bewijsresultaten ook onrechtmatig waren naar Nederlands recht. En dat dat, als dat zo was, de rechter in de Birminghamse strafzaak verplichtte tot een volkomen bewijsuitsluiting van de tapresultaten. En dat, als die niet mochten meewerken aan de Engelse bewijsredenering, vrijspraak op de tenlastelegging onvermijdelijk was. An overall acquittal. De rechter had inmiddels de jury alvast uit de rechtszaal weggezonden en geïsoleerd elders doen onderbrengen. Want nu zouden die professor en een aan hem evenwaardige rechtsgeleerde voor het Openbaar Ministerie die rechter gaan vertellen wie van hen twee gelijk had. Ik was die rechtsgeleerde. U voelde hem al aankomen. Ik heb er dagen gezeten, in de rechtszaal en de kamer voor de experts en Holland Q.C. goed kunnen bekijken. Daarom weet ik haarfijn hoe zo iemand eruit ziet naar dracht. De rechtsdracht. Daarboven een bolle rode kop, mateloze arrogantie, een gelige pruik, en gehouden tot een eed van alliance aan het Anglicanisme. De religie. Wat dat inhoudt, leest u verderop. Geen vent met veel begrip voor allochtonen of ze nu Hindu zijn, Islamiet of juist tegenvoeters daarvan. Toch barst het daarvan in het noorden, het armelijke vroeggeïndustrailseerde Engeland. Zeker niet iemand die hengelen zou om zich te mengen in welk etnisch conflict ook. Zeker niet met Islamieten, of ze nu uit India of Pakistan komen.