Sedert 1850 kwam het internationale strafrecht steeds meer in een stroomversnelling omdat delicten steeds vaker een buitenlands bestanddeel of element begionnen te vertonen, door de ontwikkelingen die in de voorgaande blog werden besproken. Het gecodificeerde nationale jurisdictierecht van de staten maakte noodzakelijk dat de staten elkaar bijstand gingen vragen ter publieke rechtshandhaving. Uitlevering is daarvan de meest klassieke vorm die ook het gedetailleerdst verdragsmatig is uitgewerkt. De staten begonnen, om de nationale volksvertegenwoordigers rekenschap te kunnen geven waarom ze soms wel en soms niet tot uitlevering wilden overgaan nationale uitleveringswetten te maken. Ze richtten zich tot de regeringen die dergelijke rechtshulprelaties wilden aangaan. Deze uitleveringswetten gaven de regeringen instructies over de inhoud van de uitleveringsverdragen die gesloten zouden moeten worden, omdat bijna geen staat zonder verdragsbasis wilde overgaan tot de gedwongen verwijdering van een individu met een strafrechtelijk doel dat in het buitenland verwezenlijkt zou moeten worden. De uitleveringswetten bevatten ook veel waarborgnormen voor de uit te leveren persoon, technisch de “opgegeëiste persoon” genoemd, zoals het verbod uit te leveren voor politieke misdrijven, fiscale delicten, feiten die in de staat aan wie om uitlevering gevraagd was niet strafwaardig waren, of die inmiddels al verjaard bleken naar het recht van die staat. En er stonden ook hardheidsclausules in dergelijke wetten: wanneer de verwijderingshandeling van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de leeftijd, de gezondheidstoestand of de geestelijke staat van de opgeëiste persoon werd ze bij verdrag doorgaans verboden, de nationale uitleveringswet instrueerde de betrokken partijen dat verbod ook adequaat te verwoorden in het verdrag. De uitleverende staat moest verder bewaken dat de verkrijgende partij zich aan dergelijke verboden zou houden.

Daartoe moest die staat dan de opgeëiste persoon en het proces waaraan hij onderworpen zou worden goed in de gaten houden, men spreekt ook wel in het jargon van “monitoren”. Daarvoor konden inspecties naar willekeur noodzakelijk zijn en die moest de verkrijgende partij dan toestaan en mogelijk maken. In dit opzicht had men dus te maken met een soort “Treupflicht” van de uitleverende staat jegens de opgeëiste persoon, óók als hij illegaal verblijf had gehouden en zelfs als hij zich wederrechtelijk toegang had verschaft tot het grondgebied van de uitleverende staat. In zekere zin was dat bevreemdend, gelet op de achtergronden van die “Treupflicht” die Herder zo uitvoerig had beschreven. Maar ook Nederland hield zich aan deze beperkingen van de uitleveringsverplichtingen en de daarmee gepaard gaande weigeringsgronden voor andere vormen van rechtshulp. Dat blijkt uit de Uitleveringswet van 1874 die heel lang bleef gelden in de twintigste eeuw als interpretatierichtlijn voor de uitleg van de uitleveringsverdragen en de bedoeling van de verdragssluiters daarbij. De staten ontwikkelden nu ook andere vormen van rechtshulp zoals de primaire rechtshulp, die neerkomt op de overname van de strafvervolging door een andere staat, al of niet desverzocht en de positieve erkenning van veroordelende buitenlandse strafgewijsden en de daaruit voortvloeiende straffen en maatregelen. Na 1950 kwam dat, mede door de activiteiten van de wetgevingssector binnen de VN, ook weer tot acceleratie. Het bleek dus dat het internationale strafrecht niet beperkt bleef tot het eigenlijk jurisdictierecht of strafmachtsrecht. En daarom werd er aan het zoëven goenoemde primaat van het materiële territorialiteitsbeginsel wat minder aandacht gegund. Maar het beginsel bleef toch in alle aspecten overeind, als een rudiment aan de tijden dat de staten zich van elkaars nationale rechtsstelsels niet zoveel aantrokken, als waren zij alleen op de wereld en absoluut soeverein. Dat laatste werd steeds ontkend, maar de praktijk spoorde daar niet mee. De aandacht verschoof vooral naar het internationale strafprocesrecht.
Dat mede door het verlangen van de VN steeds meer straftribunalen op te richten. Waarbij het strafmachtsrecht als basis voor het bijbehorende jurisdictierecht eigenlijk nogal ondergeschoven werd. Tot nadeel van de verdachte en de slachtoffers die vaak in negatieve jurisdictierechten terecht dreigden te komen. Zoals ook nu weer dreigt in de zaak-Khan. Want dat die zaak rechtsaanhangig moet worden gemaakt, staat vast. Maar bij welk hof, tribunaal of gerechtelijk forum, dat blijft maar zwevend en ook wat de rechtsmachtcriteria daarbij behoren te zijn. Omdat er eigenlijk niet veel anders opzit is dus het primaat van het materiële territorialiteitsbeginsel hier het vangnet, want een negatief jurisdictieconflict is hier al helemaal niet te accepteren. En toch schijnt de Assembly of States Parties to ICC dat aanmerkelijk risico best te willen nemen. Al was het maar om het deerlijk beschadigde Permanente Strafhof nu voorlopig buiten de wind te houden. “Chassez le naturel, il revient au galop” dat zou men beter voor ogen blijven houden.“Chassez le nature, il revient au galop” betekent letterlijk: “Jaag de aard weg, en hij komt in galop terug”. In het Nederlands is de beste en bekendste vertaling: “Een vos verliest zijn streken niet” of “De natuur gaat boven de leer”.
