Het territorale primaat als waarborg

Als alle staten nu op dit punt een onderling uniform en harmoniërend jurisdictiesysteem er op na zouden houden op basis van het absolute primaat van het territorialiteitsprincipe zouden er geen interstatelijke leemtes in de publieke rechtshandhaving kunnen ontstaan. Dat is het uitgagspunt van Dittrich Oehler in zijn standaardwerk “Internationales Strafrecht” waarin hij het West-Europese jurisdictiestelsel tussen de staten beschrijft en uitvoerig in gaat op de waarborgende functie van het territorialiteitsbeginsel voor de staatsburger die rechtmatig verblijf houdt op het grondgebied van een dergelijke staat. Dat houdt mede in, aldus Oehler, dat de staten het er over eens zijn wanneer de plaatsbepaaldheid van het strafbare feit terecht wordt gefixeerd binnen zulk een grondgebied. Dat is het probleem van de locus delicti:  wanneer mag een plaats gelden als de plaats waar het delict is begaan? In 1850 werd steeds aangenomen dat dat de plaats is waar de dader zich lichamelijk ophoudt als hij het feit begaat. En beperkt men zich daartoe dan werkt het systeem inderdaad redelijk goed, als de plaats ook rechtmatig wordt ingenomen door die aansprakelijke. Hij heeft een wettelijk verblijfsrecht. Hij geniet een lawful residence. Op het moment dat het vreemdelingenverkeer aanmerkelijk intensiveert en tevens de vreemdelingen géén toelating conform de nationale vreemdelingenwet vragen tot die plaats — ze zijn dan illegaal — gaat het al mis. En het gaat, als ik me zo mag uit drukken, nog misser, als de aansprakelijke lange-afstandsmiddelen inschakelt bij het uitvoeren van het feit, zoals, na 1850, de telegraaf en kort daarop de telefoon. Deze communicatiemedia dienen doorgaans als instrumenten bij de voltooing van het voorgenomen feit, de instrumenta sceleris, en deze instrumentele werking kan zich tegelijkertijd op vele plaatsen manifesteren en leiden tot het bij de strafwet verboden gevolg. Overal waar die uiterlijke manifestatie van die instrumenten uitwerkt in de publieke rechtsorde is dan het delict mede begaan. In de tweede helft van de negentiende eeuw ging Groot-Brittannië wereldwijd transoceanische telegraafkabels uitrollen, leggen en verankeren, gevolgd door het eigenaardig telegraafverkeer via spoorwegverbindingen wanneer overlandroutes werden uitgenut zoals de Bagdad-spoorlijn. Die voerde van Berlijn naar Accra. Berlijn financierde deze lijn om een tegenhanger te hebben tegenover het Suezkanaal dat feitelijk genaast was door de Angelsaksen. Maar maakte mogelijk dat Londen de telegraafverbinding daaraan accesoir ook uitbaatte. Ter zekering van de Britse verbindingen met Het Verre Oosten.

Nog onoverzichtelijker werd de systematiek van het interstatelijk jurisdictierecht bij het perfectioneren van de draadloze telegrafie totdat de werking van het absolute territorialiteitsbeginsel als waarborg voor de delictsbetrokkenen volkomen chaotisch werd na 1920. Toen werd de draadloze telegrafie atmosferisch gebezigd om contacten te blijven houden met overzeese gebiedsdelen van de middelgrote koloniale mogendheden die geen machtiging kregen van de grote mogendheden om de eigen zeebodemtelegraaf verbindingen op de bodems van de gebieden die werden aangemerkt als volle zee te verankeren en steeds te zekeren via inspecties. Het vinden van het territoir dat kon gelden als aanknopingspunt voor extraterritoriale jurisdictie buiten het geografisch gedelinieerd grondgebied werd nu een kunstgreep. Had een radiobericht de aether doorkruist boven een staat door diens territoriale luchtkolom heen, dan had die staat reeds daarom rechtsmacht.  Dat goldt ook voor morse-seinen. En later voor satellietverbindingen. Dat  was een schimmig aanknopingspunt voor de territoriale rechtsmacht. Die vaak niet gewaardeerd werd door de mogendheden die in hun wetgevingen volkomen eigenstandige territorialiteitsficties introduceerden, waaronder de zeevarende Angelsaksische mogendheden. Zoals “vaartuig is territoir”. Of: “varend of drijvend of verankerd tuig is territoir”.  Denk aan de off-shore-installaties, zoals booreilanden. De vlaggestaten daarvan konden jurisdictie claimen. Ook al was de registratie zelf alweer een fictie.  Die konden hun gang gaan, omdat zij via hun vloten de bijbehorende doorzettingsmacht hadden. En macht bleek weer recht op te leveren. Zoals altijd. Toch bleven de staten uitgaan van de idee dat een vervolgde het gewaarborgde recht had om niet afgetrokken te worden van de natuurlijke territoriale rechter, alsof aanstonds voor iedere rechtsgenoot glashelder was wie dat in dit vercorrumpeerde stelsel nog kon zijn. Het privilegium de ius non evocando bleef verbonden met de waarborgen van het territorialiteitsprincipe zoals vóór 1850 omschreven. Geen van beide jurisdische contructies werd herijkt op de moderne media die elkaar steeds vaker overlapten en dus jurisdictieconflicten veroorzaakten.

Nederland deed het evenmin, dat herijken. Hoezeer zijn grondgebied ook steeds vaker bevolkt waren door vreeemdelingen die ronduit illegaal waren, zowel wettelijk en verdragsrechtelijk, vooral nadat in 1993 het voormalige Oostblok werkelijk reutelend ineen gestort was en geen grenscontroles meer adequaat bestonden oostelijk van de plaats waar eens — die gelukzalige tijden van olim — het IJzeren Gordijn een ondoordringbaar scherm had geboden aan de steeds decadenter levende westerlingen. Die dansten op de vulkaan van die illegaliteit. Nederland voorop, want illegalen bleken toch aanspraak te kunnen maken op de gevolgen die het rechtsingangprincipe volgens het privilegium te hunnen bate bleek te impliceren. Daaronder volledige toegang tot alle voorzieningen uit de collectieve sector als waren zij rechtmatig toegelaten. Het privilegium werd niet herzien, niet genuanceerd en steeds uitgebreider via een casacade van naijlende effecten via de gezinsherenigingmogelijkheden. Dat bleek nefast, vooral in verbinding met het feit dat Nederland steeds meer plaats ging maken voor vreemd recht dat Nederland ook nog eens via zijn zwaardmonopolie tot gelding moest brengen. Daartoe had het zich in VN-verband verplicht.