Nederlands primaat van het territorialiteitsbeginsel

Aldus introduceerde de genoemde Commissie de Wal al in de eerste lezing van het geconsolideerde regeeringsontwerp voor een nationaal Wetboek van Strafrecht het dwingend primaat van het territorialiteitsbeginsel. In artikel 2 van het Algemeen Deel van het ontwerp.  Het luidde: “De Nederlandsche Strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.” De bedoeling was nu, wegens die plaatsing aan het begin van dat Deel, dat de Bijzondere Strafwetten die later nog buiten de beoogde codificatie zouden tot stand komen, bij dat beginsel zouden aansluiten, tenzij de wetgever heel nadrukkelijk zou hebben aangegeven in een operatief artikel dat hij wilde afwijken van het beginsel en in hoeverre. Daarbij ging de Commissie, dat lag eigenlijk ook wel, gelet op haar opdracht, voor de hand, dat er niet veel Bijzondere Strafwetten zouden komen. Maar de praktijk bleek weerbarstig en heden ten dage zijn juist de meest ingrijpende strafwetten voor de burger en de private rechtspersoon vervat in Bijzondere Strafwetten die onderling nogal onoverzichtelijk zijn en soms toch afwijkende regelingen kennen voor de heerschappij van het strafrecht. Zonder dat dat nu uitdrukkelijk is aangegeven in een operatief artikel, met de beginwoorden “In afwijking van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is deze wet toepasselijk op ieder die zich buiten het Rijk in Europa….”. De wetstoepasser moet dan maar gissen dat die heerschappij inderdaad ook in het buitenland gevestigd wordt, reeds omdat anders de hele wetsvoordracht een zinloze zou zijn. De Rijtijdenwet is er een interessant voorbeeld van, maar in de economische ordeningssector, de regeling van strategische uitvoerverboden inbegrepen, vindt men talloze implicite afwijkingen van die algemene jurisdictieregeling in het Algemeen Deel. Destijds stond de regeling van dat territorialiteitsbeginsel ook in artikel 8 van de Wet houdende algemeene bepalingen voor de wetgeving van het Koninkrijk in andere bewoordingen.

De Commissie de Wal ging om onduidelijke redenen er van uit dat die Wet Algemeene Bepalingen hiërarchisch bovengeschikt was aan de andere wetten in formele zin. Zo is die Wet stellig ook door Koning Willem I bedoeld: als instructienorm voor de wetgevingsjuristen van de departementen om het territoriale bereik van alle wetgeving als vanzelfsprekend voorop te stellen. Dan behoefde dat niet steeds per wet herhaald te worden. Deswege nam de Commissie de Wal aan dat de regeling over de ruimtelijke heerschappij van de strafwet bevredigend geredigeerd was. Maar ze had reeds daarom beter moeten weten omdat destijds Nederland aanmerkelijke koloniale bezittingen had in De West, Het Verre Oosten –Indonesië en omringende eilandengroepen en de nederzettingen aan de Straat Malakka– en aan de Westkust van Afrika zoals Nederlands Guinee. Juist dáár bleken de rechtsmachtaanspraken van andere koloniserende mogendheden, vooral Groot-Brittannië, het ene jurisdictieconflict na het andere te veroorzaken waarbij Londen er meteen ook een prestigekwestie van maakte wie dan de winnende staat was. En dat was nooit Nederland. Na 1945, toen het smartelijk dekolonisatieproces opstartte waarin Nederland nogal weerbarstig bleek, bleek dat eens te meer. De rechter kwam daardoor in Nederland meermalen in ernstige moeilijkheden, niet beschikkend over het juridisch instrumentarium dat een bevredigende oplossing kon bieden van de oplossing van deze conflicten. Zo kan de bovenbesproken zaak-Khan ongedacht ook bron worden van vergelijkbare conflicten. Die ontstaan wanneer ICC op basis van artikel 70 van het Statuut de intimiderende seksuele opstellingen van deze Aanklager of de uitoefening van ongeoorloofde drang daarbij ten gevolge van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend ambtelijk overwicht aan zich blijft trekken. Dus eigenlijk de originaire rechtsmachtuitoefening van Nederland als territorialiteitsstaat aan zich blijft trekken.

Want artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht beoogt wel degelijk aan vervolgde, verdachte, slachtoffer en waarnemers van deze opstellingen, aangevers en belanghebbenden te borgen dat Nederland deze feiten bij uitsluiting ter kenninsneming aan zich trekt. Artikel 70 van het Statuut heeft betrekking op bedreigingen, afdreigingen, afpersingen en dwang, bedrog of het veroorzaken van dwaling gericht tegen de integriteit van de justitiële afdoening van de misdrijven als opgesomd in artikel 5 door ICC. En beslist niet op feitelijkheden begaan ter lustbevrediging van de hogere ambtenaren of beambten werkzaam ten behoeve van de internationale justitie die ICC opgedragen is of overgelaten blijft. Toch ondermijnen ongeoorloofde seksuele handelingen via intimidatie of misbruik van gezag óók de integriteit van de justitie die ICC moet dienen.  Ze corrumperen het gezag van het ICC. Ze leveren dus óók frustration of justice op. Een term die artikel 70 óók bezigt. Maar in een totaal andere context. Maar via die omweg zou je het seksuele wangedrag van Khan kunnen brengen onder artikel 70 van het Statuut. Al is dat niet de bedoeling geweest in 1998.  Artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht richt zich tot de Rijksoverheid van het gastland. Die rechtshandhaving via dat beginsel moet garanderen aan allen die aan de Nederlandse rechtsorde deelnemen. De artikelen 3-7 van dat Wetboek zijn daarbij nog subsidiaire rechtsgronden voor rechtsmachtuitoefening om negatieve jurisdictieconflicten te voorkomen. Maar ze komen pas aan bod als het territorialiteitsbeginsel ontoepasselijk blijkt. De Commissie-de Wal volgde hierbij slechts ten dele het Pruisische Wetboek van Strafrecht, reeds omdat dat toch uitging van het primaat van het actief personaliteitsbeginsel: die Pruisische Strafwet was toepasselijk overal waar een Pruisisch onderdaan dader bleek van een vergrijp tegen de Pruisische Strafwet.  Voor buitenlanders in Pruisen gold het territorialiteitsbeginsel primair. Maar niet voor Pruisische daders. Die moesten overal ter wereld het Pruisisch recht blijven gehoorzamen. Dat personaliteitsprimaat wilde de Commissie de Wal juist vermijden, omdat het zoveel jurisdictieconflicten placht te veroorzaken.