Uitstel Nieuwe Strafvordering II

De opstelling van het Oorspronkelijk Regeringsontwerp voor een nieuw Wetboek van Strafvordering was al een doelstelling vanaf 2000, al hadden de universiteiten tevoren ook al zeer aangedrongen om een interfacultaire taskforce in te stellen die dit project zou opstarten, een overzichtelijk begin van uitvoering zou geven en de praktische, vooral personeeltechnische en logistieke voorwaarden ervan zou beschrijven. Dit gebeurde via een flink aantal zwaar gesubsidieerde boekuitgaven, die de vakgroepen van de verschillende faculteiten deden plaatsvinden met financiering binnen de derde geldstroom, waardoor de academici die het project leidden flink aan de weg konden timmeren en goede sier konden maken in hun wetenschappelijke jaarverslagen. Deze mondden uit in desiderata tot nog verdere financiering voor decennia en aantrekken van meer promovendi. Het baarde wel enige zorg dat het hier om een majeur wetgevingsproject ging waarbij de universitaire voorlieden kennelijk de uitfaseringen konden definiëren en ook de interim-doelstellingen. Dat werd niet overgelaten aan de staatkundige wetgever in formele zin. Dus het kabinet, de twee kamers, de Raad van State gehoord hebbende via de regering en haar Nader Verslag op de bevindingen van de Raad. Het was een overduidelijk universitair gremium dat hier globaliter spraakmakend was. En dat ook aandrong op depolitisering ervan. Dat scheen vooral geborgd te zijn doordien de universiteiten leidend bleken en bleven. Tenminste, dat scheen wel de werkhypothese. De basisveronderstelling was ook dat het project op nationaal niveau thuishoorde. Hier lag in ieder geval geen taak voor de Europese Unie, die zou voorzien in een uniforme strafvordering voor de gehele rechtsruimte waarbinnen de vier grondrechten van de Europese Acte tot gelding zouden moeten komen: Vrij Verkeer van Goederen en Diensten, Uitwisseling van kapitaal, Vrijheid van bedrijfsvestiging en Positieve Wederzijdse Erkenning van verworven vestigingsrechten en nijverheids- en vaardigheidscertificaten. De uirerlijke verschijningsvorm van de strafrechtspleging zou dit vrije circulatierecht niet mogen afremmen en zeker niet mogen frusteren door allerlei verschillen in vormen, termijnen, hogere rechtsmiddelen, procesdrempels etc. Dat soort rimpelingen zouden juist vanwege de schaalvergroting die beoogd wordt weggestreken moeten worden als strijdig met de Europese Actie. Moor hert voorliggend ontwerp gaat juist van een nationale benadering uit en vergroot deze differentiaties. De universitaire ontwerpers waren juist kien op deze formele verschilvormingen van eigen bodem. Dat leridt dus tot procesvertraging en deze weer tot complicaties wegens het feit dat geen “speedy trial” is geborgd, zeker niet zoveel als maar mogelijk zou kunnen zijn.

Het gaat hier toch om de zogeheten Europese vrijheden en grondrechten in de Europese Unie. De bestaansredenen van de Unie. Die bestaan uit zowel de vier economische vrijheden van de interne markt als de fundamentele grondrechten van burgers. Die vormen tezamen, in onderlinge context en connotatie uit de de Vier Vrijheden van de Interne Markt. Die interne markt kent vier fundamentele verdragsvrijheden voor een economie zonder binnengrenzen. Vrij verkeer van goederen: Fysieke producten kunnen zonder invoerbeperkingen tussen landen worden verhandeld. Vrij verkeer van diensten: Bedrijven en personen mogen in de hele EU diensten aanbieden. Vrij verkeer van personen: Burgers mogen vrij reizen, wonen, werken en studeren in elke lidstaat. Vrij verkeer van kapitaal: Geld en investeringen mogen vrij worden overgemaakt tussen de lidstaten. Deze vrijheden kunnen echter niet echt gerealiseerd worden zonder dat de diploma’s en certificaten die per staat steeds nodig zijn om volwaardig aan het koophandelsverkeer deel te nemen positief onderling erkend worden op dezelfde voet als in het interne nationale handelsverkeer gebruikelijk is. En verder is om die erkenning volledig door te voeren een ingewikkelde transformatie nodig van genoemde diploma’s en certificaten die leidt tot een perfecte gelijkstelling met de dienovereenkomstige licenties en bevoegdheden, die op basis van de nationale vaardigheidsbescheiden en examens, met bijbehorende toelating van competenties in het handelsverkeer vereist zijn. Uniformering van strafvordering ligt daarom voor de hand. Binnen de gemeenschappelijke rechtsruimte. Dat vloeit uit de uniformering van de circulatievoorwaarden, goederen- en kapitaal-uitwisseling, handelsverkeer en vestigingscondities voort. Deze vrijheden doortrekken het leven van de Europese staatsburger.

Omdat van die certificaten en diploma’s afhangt óf men eigenlijk wel rechtmatig en wetmatig deel heeft aan dat verkeer of dat moet kunnen doen. Met de bijbehorende registraties bij de bestuursadministraties die vervolgens de Europese burger onderwerpt aan de bijbehorende administratieve voorschriften die doorgaans strafvorderlijk gehandhaafd moeten worden binnen de rechtsruimte op uniforme althans niet-discriminatoire voet. Kortom: de doctorandustitel of het diploma van examen dat aantoont dat men het middelbare of hogere beroepsonderwijs in de desbetreffende lidstaat met vrucht genoten heeft moeten wederzijds onvoorwaardelijk dezelfde vestigings- en neringsrechten geven. En omdat zulks steeds gesanctioneerd wordt via het strafrecht — in Nederland loopt dat via de WED — ligt daarom uniformering van de strafvordering op Unieniveau  eigenlijk veel meer voor de hand dan dat men zou opteren voor een zuiver nationale benadering van een nieuw in te voeren strafvordering. Zoals de universiteiten aanstonds bleken te doen in hun klankbordgroepen. En dat is ook begrijpelijk gelet op hun onderlinge nationele concurrentieverhoudingen als instellingen van wat men wetenschappelijk onderzoek pleegt te noemen. Universiteiten werken daarom niet van nature samen. Hebben ze ook nooit gedaan. En dat deden ze op de keper beschouwd in het hier besproken megaproject van een totaal vernieuwde nationale strafvordering evenmin. Daarom was die uitbesteding aan die universiteiten geenszins vanzelfsprekend. Ook al werd het natuurlijk zo gebracht. Omdat het hier om een kardinaal mega-verdienmodel ging voor de betrokken faculteiten. Het bekende euvel. Dat ook bij subsidiëring van NGO’s steeds weer parten speelt.